De letterlijke betekenis van passie is hartstocht. Het is een sterk gevoel van liefde. Het kan ook een verlangen naar iets zijn. Is passie nodig in het onderwijs? Op Twitter kwam ik een discussie tegen. De een vond dat er echt passie nodig is om in het onderwijs te kunnen werken,je moet liefde hebben voor dit vak om het goed te kunnen uitdragen. Een ander vond dat een goede leerkracht niet perse ook passie hoeft te hebben, als je maar goed lesgeeft. Wat denkt u?
Na de cursus over bevlogenheid van Jessica van Wingerden e.a. eerder in dit jaar, heeft Dyade ook een boekje uitgebracht met de titel "Passie, energie, prestatie" Kort gezegd vertelt het ons, dat bevlogen medewerkers werken met passie en energie en zij leveren betere prestaties. Dat betekent niet, dat je zonder passie en energie slechte prestaties zou leveren.
Onderwijs is meer dan het het geven van een goede les, die prestaties oplevert. De leerkracht moet meer bezitten dan alleen een goede les kunnen geven. Ik durf zelfs te beweren, dat als je niet meer bezit dan dit, je niet zo ver komt. Invoelend vermogen, de omgang met de kinderen, het aanvoelen van hun gevoelens, het luisteren naar kinderen en ouders, het volgen van kinderen, het zien als hun gezicht blij staat of bedrukt zijn allemaal belangrijke competenties die je als leerkracht niet allemaal even goed hoeft te bezitten, maar je moet er zeker voor openstaan. Je moet het verlangen hebben om kinderen te begrijpen. Je passie ligt in de sociale vaardigheden van kinderen, van kinderen onderling, van hun belevingswereld, zoals we jaren geleden al zo mooi zeiden.
Natuurlijk kun je een hooggeschoolde leerkracht van misschien wel academisch niveau voor de klas zetten, maar de interpersoonlijke kenmerken en pedagogische kwaliteiten zijn minstens zo belangrijk, zo niet belangrijker. Als ze een kind zich veilig voelt, zich gehoord voelt, gewaardeerd wordt door zijn omgeving waarin de leerkracht een hele belangrijke rol speelt, gezien wordt door diezelfde leerkracht als een gelijkwaardig mens met unieke kenmerken, dan komen die prestaties ook wel.
En dan moet er natuurlijk ook een goede les worden gegeven en een goede prestatie worden neergezet.
Dat maakt de titel van het boekje van Jessica van Wingerden ook zo mooi. Eerst de passie, de liefde voor het vak, dan overstroomt de energie vanzelf en waar je aandacht aan schenkt groet. Vervolgens komen we dan bij de prestatie.
De aandacht voor opbrengst gericht werken is dan ook niet fout, maar we moeten oppassen met de insteek die we maken. Goed lesgeven is belangrijk, de instructie doet ertoe. Maar allereerst is die persoon voor de klas en de interactie van leerkracht met leerlingen van belang. De interpersoonlijke relaties staan voorop, dan volgt de rest - die we kunnen aanleren - vaak vanzelf.
U luistert toch ook geboeid naar iemand die u persoonlijk raakt, die bruist van enthousiasme en energie en u meer ligt? Vervolgens luistert u beter naar wat hij of zij te vertellen heeft en vindt u het ook nog mooi meegenomen als de inhoud ook interessant is.
zaterdag 24 november 2012
Passie
zondag 18 november 2012
Schaken
Schaken is een fantastisch spel. 64 vakken, 32 witte en 32 zwarte velden bestrijken het bord. Beide partijen hebben 16 stukken, acht pionnen, twee torens, twee paarden, twee lopers, een dame en - de belangrijkste - een koning.
Deze week kwam in het nieuws, dat schaken niet alleen leuk is, maar voor kinderen vanaf 6 jaar ook goed voor de ontwikkeling.
Schaakleraar Eddy Sibbink geeft schaakles op een school vertelde erover. Ook de werldberoemde schaakgrootmeester Garry Kasparov (geboren 13 april 1963) zegt dat het goed is voor kinderen om jong te beginnen.
Waarom is schaken dan zo goed?
* Kinderen leren hoe het spel schaken in elkaar zit. Ze leren van de verschillende stukken, de waardes daarvan en hoe deze kunnen bewegen over het schaardbord.
* Kinderen leren visueel na te denken over het spel. De stukken kunnen bewegen volgens een bepaald plan. Ze leren een doel te stellen en het plan uit te voeren.
* Kinderen leren strategieën toe te passen hoe stukken zich voortbewegen en hoe ze de tegenstander schaakmat moeten zetten, daar is doorzettingsvermogen voor nodig. Het spel onder de knie krijgen en leren hoe je kunt winnen.
* Kinderen leren tegenslag te incasseren. Tijdens het schaakspel nog meer dan tijdens een geluksspel, want in het schaakspel heb je het zelf gedaan. Je hebt zelf de stukken verzet. Soms doe je dan gewoon een domme zet. Er komt geen geluk aan te pas. Hooguit heb je geluk als de tegenstander iets niet ziet.
* Het denkvermogen van kinderen wordt gestimuleerd wat ook in andere situaties zijn positieve uitwerking kan hebben. Je leert om te gaan met situaties en je leert dat je daar zelf verantwoordelijk voor bent.
En zo kunnen er vast nog meer voordelen genoemd worden waarom het goed is, dat kinderen leren schaken.
Zelf kom ik uit een echte schaakfamilie. We speelden vaak op zondag potjes schaak, er werden toernooitjes georganiseerd, we leerden incasseren en verliezen. Twee broers waren heel goed in schaken.
Op onze school (de Prinses Maximaschool in Berkel en Rodenrijs) hebben wij een enthousiaste vader bereid gevonden om 1x per week schaaklessen te verzorgen voor een tiental kinderen die dit leuk vinden. Elke keer een stuk of 10 lessen en dan volgt er weer een nieuwe groep. Het is een aanwinst voor de school, een extraatje voor de kinderen en voor hun eigen ontwikkeling goed om hiermee verder te komen.
Naast dat schaken goed is voor kinderen en volwassenen, levert schaken voor iedereen plezier op, en dat is met een gezelschapsspel natuurlijk het allerbelangrijkste. Veel plezier!
Deze week kwam in het nieuws, dat schaken niet alleen leuk is, maar voor kinderen vanaf 6 jaar ook goed voor de ontwikkeling.
Schaakleraar Eddy Sibbink geeft schaakles op een school vertelde erover. Ook de werldberoemde schaakgrootmeester Garry Kasparov (geboren 13 april 1963) zegt dat het goed is voor kinderen om jong te beginnen.
Waarom is schaken dan zo goed?
* Kinderen leren hoe het spel schaken in elkaar zit. Ze leren van de verschillende stukken, de waardes daarvan en hoe deze kunnen bewegen over het schaardbord.
* Kinderen leren visueel na te denken over het spel. De stukken kunnen bewegen volgens een bepaald plan. Ze leren een doel te stellen en het plan uit te voeren.
* Kinderen leren strategieën toe te passen hoe stukken zich voortbewegen en hoe ze de tegenstander schaakmat moeten zetten, daar is doorzettingsvermogen voor nodig. Het spel onder de knie krijgen en leren hoe je kunt winnen.
* Kinderen leren tegenslag te incasseren. Tijdens het schaakspel nog meer dan tijdens een geluksspel, want in het schaakspel heb je het zelf gedaan. Je hebt zelf de stukken verzet. Soms doe je dan gewoon een domme zet. Er komt geen geluk aan te pas. Hooguit heb je geluk als de tegenstander iets niet ziet.
* Het denkvermogen van kinderen wordt gestimuleerd wat ook in andere situaties zijn positieve uitwerking kan hebben. Je leert om te gaan met situaties en je leert dat je daar zelf verantwoordelijk voor bent.
En zo kunnen er vast nog meer voordelen genoemd worden waarom het goed is, dat kinderen leren schaken.
Zelf kom ik uit een echte schaakfamilie. We speelden vaak op zondag potjes schaak, er werden toernooitjes georganiseerd, we leerden incasseren en verliezen. Twee broers waren heel goed in schaken.Op onze school (de Prinses Maximaschool in Berkel en Rodenrijs) hebben wij een enthousiaste vader bereid gevonden om 1x per week schaaklessen te verzorgen voor een tiental kinderen die dit leuk vinden. Elke keer een stuk of 10 lessen en dan volgt er weer een nieuwe groep. Het is een aanwinst voor de school, een extraatje voor de kinderen en voor hun eigen ontwikkeling goed om hiermee verder te komen.
Naast dat schaken goed is voor kinderen en volwassenen, levert schaken voor iedereen plezier op, en dat is met een gezelschapsspel natuurlijk het allerbelangrijkste. Veel plezier!
Labels:
broer,
denken,
denkvermogen,
familie,
incasseren,
kinderen,
schaakspel,
schaken,
stimuleren,
strategieen,
tegenslag,
visueel denken
zaterdag 17 november 2012
Bijzondere mensen 2
Welke mensen hebben invloed op ons leven? Wie heeft ons ertoe gebracht om iets te gaan doen of juist niet te doen? Welke gebeurtenissen hebben wel en welke hebben geen of nauwelijks invloed?
In bijzondere mensen 1 heb ik gesproken over het grote aandeel dat mijn ouders hebben gehad in het leven van mij. Nu wil ik een tweede groep mensen beschrijven, die mijn leven hebben beïnvloed, namelijk mijn broers en zussen. De mensen met wie ik samen ben opgegroeid bij dezelfde ouders.
Ik kom uit een gezin van 6 kinderen, waarvan ik zelf de jongste ben. Naast de hoeveelheid broers en zussen is ook de plek in het gezin iets dat mij heeft beïnvloed. Oudste kinderen moeten vaak het ijs breken, ouders weten vaak ook nog niet wat wel en niet goed is. Als jongste hadden zowel mijn ouders als ikzelf het veel makkelijker. Onze ouders maakten zich niet zo snel zorgen om eenvoudige opvoedingszaken, ze zagen immers dat het welk goed kwam. Als jongste in het gezin ben je enigszins bevoorrecht, omdat de weg al is geëffend en je als jongste een voordeeltje hebt.
Toen ik werd geboren had ik een broer van 13, een zus van 12, een broer van 9, een broer van 5 en een zus van 4.
De broer van 13 was lichamelijk gehandicapt, superslim, deed op dat moment gymnasium en vond het erg leuk om een klein zusje te hebben. Hij leerde mij dan ook al vrij snel schaken en ik speelde regelmatig met hem.
De zus van 12 is op haar 18de het huis uitgegaan en in een zusterflat gaan wonen. Zij werd verpleegkundige. Een nuchtere zus die al vrij snel thuis kwam met mijn a.s. zwager. Vanaf mijn 6de jaar had ik er gewoon een broer bij. Iemand met een hoop levenservaring, die met dit gezin ook over veel dingen praatte.
De broer van 9 was een hele goede schaker, deed HBS en werd later wiskundeleraar. Iemand met wie je nooit ruzie kon hebben, want hij maakte geen ruzie. Nog steeds niet. Ook iemand die de zorgen in zijn omgeving deelde en zich bekommerde om zijn jongere broertje en zusjes. Mijn mkoeder zegt nu nog welleens dat hij te veel zorg op zich kon nemen. Wijh zien dit weer terug bij zijn eigen dochters en kleinkinderen.
De broer van 5 had blonde krullen en had een geweldig goed geheugen. Als je vroeg wanneer iets was gebeurd, wist hij jaartal en vaak ook de datum. Hij hield van de sterren en het heelal. Hij hield ook van regelmaat en vastigheid. Van harde geluiden hield hij niet. Hij had zo zijn eigen gewoonten.
De zus van 4 met wie ik jarenlang op 1 kamer heb geslapen, is degene met wie ik misschien wel de meeste ruzie heb gehad als kind. Een zus die basketbalde, wat ik ook heb gespeeld. Een zus die de PA heeft gedaan, wat ik later ook heb gevolgd. Raakvlakken en tegenstrijdigheden.
Maar wat hebben deze mensen mij nu allemaal meegegeven?
De oudste broer, die nu al ruim 10 jaar geleden is overleden, had een bepaalde rust over zich. Hij las heel veel en vertelde daarover vaak aan ons. Belezen was hij. Hij wist enorm veel, vooral over Griekse goden en schaakmeesters, maar ook alles over Ollie B. Bommel en Asterix en Obelix. Als ik naar mezelf kijk, was ik als kind helemaal niet zo'n lezer. Hij was samen met mijn vader een echt leesvoorbeeld. Daarnaast schaakte hij graag. Ik heb het van hem geleerd en vele malen gespeeld. Maar ook andere spellen heb ik vaak met hem gespeeld, zoals Go en Boerenbridgen(een kaartspel). Het was altijd gezellig voor zijn kleine zusje. Het feit dat hij plotseling is overleden, was voor ons gezin een hele schok. Voor hem misschien uiteindelijk beter, als je weet dat zijn beperkingen steeds groter werden.
Mijn oudste zus was als verpleegster ook een voorbeeld. Ik dacht dat ik dat ook wel wilde. Het heeft mij aan het denken gezet t.a.v. verschillende beroepen. Dierenarts, verpleegkundige, onderwijzer, ze zijn stuk voor stuk voorbij gekomen. Mijn a.s. zwager kende ik al vroeg. Ik kan me zelfs niet eens herinneren, dat hij er niet was. Mijn zus trouwde toen ik 11 jaar was. Ik heb bij haar gelogeerd. Het was iemand waar ik wel tegenop keek, al was het niet hetzelfde als een moeder. Ik heb ook weer dingen van haar geleerd. Toen bij hen de kinderen kwamen en ik daar nog weleens oppaste, leerde ik meteen hoe het is om met kinderen om te gaan en een huishouden te runnen.
De middelste broer is de goedheid zelve. Hij raakt niet snel in paniek (dacht ik toen), maakte nooit ruzie, vond het gezellig met vrienden en woonde een poosje in Rotterdam Crooswijk en in 's-Gravenzande. Later kwam hij binnen met mijn schoonzus en heb ik een aantal jaren lang wekelijks op hun oudste dochter gepast. Hij woonde toen in Delft. Gezellig om zo een band op te bouwen. Als tegenprestatie mocht ik daar op dinsdagavond eten en ´s avonds bij de koffie een doosje Qualitystreets leegeten.
De jongste broer zat in de zesde klas, toen ik in de eerste zat. Toen ik eens op mijn kop had gekregen, omdat ik door de gang rende en voorin de zesde klas moest staan, dacht ik dat ik thuis nog een keer op mijn kop zou krijgen. Dat gebeurde gelukkig niet. Hij woonde lang thuis, hield heel veel van zon, maan en sterren. Hij deed de HTS. Hij had speciale gewoontes en het botste nog weleens met mijn jongste zus. Ze scheelden 14 maanden, dus er was misschien een soort concurrentiestrijd.
Met die jongste zus heb ik lang op een kamer geslapen. In een later stadium is de kamer in tweeën gedeeld. Nog later gingen er andere broers en zussen het huis uit en hadden wij eindelijk een eigen kamer, ik was toen al 13 jaar. Kleren pikken van elkaar hoorde erbij. Mijn zus ging het onderwijs in en ik ben daardoor ook op dezelfde PA terecht gekomen als mijn zus. Toen zij trouwde had ook ik verkering en had het daar erg druk mee. Soms paste ik ook op hun kinderen, maar dat werd uiteindelijk minder, omdat mijn eigen huishouden en werkende leventje ook was begonnen.
Keuzes die ik zelf heb gemaakt zijn mede gemaakt door de omgeving. Het leren schaken bijvoorbeeld. Ik kon daardoor op de HAVO met gemak van de jongens winnen, dat was wel grappig. De interesse voor de ruimtevaart en de sterrenkunde van mijn middelste broer intrigeerde, net als zijn geheugen. De handicap van mijn oudste broer was voor mij de normaalste zaak van de wereld. Ruzie maken met o.a. de zus die boven mij zat hoorde erbij. Met een groot gezin aan tafel eten was gezellig. De verschillende beroepen en keuzes van broers en zussen hebben mij ook laten nadenken. Basketballen is ook mijn sport geworden. De moeite die sommigen hadden met relaties was een leerzame les. Het feit dat we allemaal bij elkaar horen en uit hetzelfde nest komen, geeft toch die familieband.
Alles wat toen gebeurde leeft nog steeds door in mijn leven van nu. Eerst ben je het kleine zusje wat nog nauwelijks meetelt, ik was immers nog maar klein. Maar ook dat verandert en maakte mij ook weer sterker, bewuster en ik ontwikkelde ook verder.
Van afhankelijkheid naar zelfstandigheid is een weg die ouders, broers en zussen mij hebben meegegeven. Dat heeft mij ook gebracht waar ik nu ben. Een warm thuis met man en vier kinderen.
In bijzondere mensen 1 heb ik gesproken over het grote aandeel dat mijn ouders hebben gehad in het leven van mij. Nu wil ik een tweede groep mensen beschrijven, die mijn leven hebben beïnvloed, namelijk mijn broers en zussen. De mensen met wie ik samen ben opgegroeid bij dezelfde ouders.Ik kom uit een gezin van 6 kinderen, waarvan ik zelf de jongste ben. Naast de hoeveelheid broers en zussen is ook de plek in het gezin iets dat mij heeft beïnvloed. Oudste kinderen moeten vaak het ijs breken, ouders weten vaak ook nog niet wat wel en niet goed is. Als jongste hadden zowel mijn ouders als ikzelf het veel makkelijker. Onze ouders maakten zich niet zo snel zorgen om eenvoudige opvoedingszaken, ze zagen immers dat het welk goed kwam. Als jongste in het gezin ben je enigszins bevoorrecht, omdat de weg al is geëffend en je als jongste een voordeeltje hebt.
Toen ik werd geboren had ik een broer van 13, een zus van 12, een broer van 9, een broer van 5 en een zus van 4.
De broer van 13 was lichamelijk gehandicapt, superslim, deed op dat moment gymnasium en vond het erg leuk om een klein zusje te hebben. Hij leerde mij dan ook al vrij snel schaken en ik speelde regelmatig met hem.
De zus van 12 is op haar 18de het huis uitgegaan en in een zusterflat gaan wonen. Zij werd verpleegkundige. Een nuchtere zus die al vrij snel thuis kwam met mijn a.s. zwager. Vanaf mijn 6de jaar had ik er gewoon een broer bij. Iemand met een hoop levenservaring, die met dit gezin ook over veel dingen praatte.
De broer van 9 was een hele goede schaker, deed HBS en werd later wiskundeleraar. Iemand met wie je nooit ruzie kon hebben, want hij maakte geen ruzie. Nog steeds niet. Ook iemand die de zorgen in zijn omgeving deelde en zich bekommerde om zijn jongere broertje en zusjes. Mijn mkoeder zegt nu nog welleens dat hij te veel zorg op zich kon nemen. Wijh zien dit weer terug bij zijn eigen dochters en kleinkinderen.
De broer van 5 had blonde krullen en had een geweldig goed geheugen. Als je vroeg wanneer iets was gebeurd, wist hij jaartal en vaak ook de datum. Hij hield van de sterren en het heelal. Hij hield ook van regelmaat en vastigheid. Van harde geluiden hield hij niet. Hij had zo zijn eigen gewoonten.
De zus van 4 met wie ik jarenlang op 1 kamer heb geslapen, is degene met wie ik misschien wel de meeste ruzie heb gehad als kind. Een zus die basketbalde, wat ik ook heb gespeeld. Een zus die de PA heeft gedaan, wat ik later ook heb gevolgd. Raakvlakken en tegenstrijdigheden.
Maar wat hebben deze mensen mij nu allemaal meegegeven?
De oudste broer, die nu al ruim 10 jaar geleden is overleden, had een bepaalde rust over zich. Hij las heel veel en vertelde daarover vaak aan ons. Belezen was hij. Hij wist enorm veel, vooral over Griekse goden en schaakmeesters, maar ook alles over Ollie B. Bommel en Asterix en Obelix. Als ik naar mezelf kijk, was ik als kind helemaal niet zo'n lezer. Hij was samen met mijn vader een echt leesvoorbeeld. Daarnaast schaakte hij graag. Ik heb het van hem geleerd en vele malen gespeeld. Maar ook andere spellen heb ik vaak met hem gespeeld, zoals Go en Boerenbridgen(een kaartspel). Het was altijd gezellig voor zijn kleine zusje. Het feit dat hij plotseling is overleden, was voor ons gezin een hele schok. Voor hem misschien uiteindelijk beter, als je weet dat zijn beperkingen steeds groter werden.Mijn oudste zus was als verpleegster ook een voorbeeld. Ik dacht dat ik dat ook wel wilde. Het heeft mij aan het denken gezet t.a.v. verschillende beroepen. Dierenarts, verpleegkundige, onderwijzer, ze zijn stuk voor stuk voorbij gekomen. Mijn a.s. zwager kende ik al vroeg. Ik kan me zelfs niet eens herinneren, dat hij er niet was. Mijn zus trouwde toen ik 11 jaar was. Ik heb bij haar gelogeerd. Het was iemand waar ik wel tegenop keek, al was het niet hetzelfde als een moeder. Ik heb ook weer dingen van haar geleerd. Toen bij hen de kinderen kwamen en ik daar nog weleens oppaste, leerde ik meteen hoe het is om met kinderen om te gaan en een huishouden te runnen.
De middelste broer is de goedheid zelve. Hij raakt niet snel in paniek (dacht ik toen), maakte nooit ruzie, vond het gezellig met vrienden en woonde een poosje in Rotterdam Crooswijk en in 's-Gravenzande. Later kwam hij binnen met mijn schoonzus en heb ik een aantal jaren lang wekelijks op hun oudste dochter gepast. Hij woonde toen in Delft. Gezellig om zo een band op te bouwen. Als tegenprestatie mocht ik daar op dinsdagavond eten en ´s avonds bij de koffie een doosje Qualitystreets leegeten.
De jongste broer zat in de zesde klas, toen ik in de eerste zat. Toen ik eens op mijn kop had gekregen, omdat ik door de gang rende en voorin de zesde klas moest staan, dacht ik dat ik thuis nog een keer op mijn kop zou krijgen. Dat gebeurde gelukkig niet. Hij woonde lang thuis, hield heel veel van zon, maan en sterren. Hij deed de HTS. Hij had speciale gewoontes en het botste nog weleens met mijn jongste zus. Ze scheelden 14 maanden, dus er was misschien een soort concurrentiestrijd.
Met die jongste zus heb ik lang op een kamer geslapen. In een later stadium is de kamer in tweeën gedeeld. Nog later gingen er andere broers en zussen het huis uit en hadden wij eindelijk een eigen kamer, ik was toen al 13 jaar. Kleren pikken van elkaar hoorde erbij. Mijn zus ging het onderwijs in en ik ben daardoor ook op dezelfde PA terecht gekomen als mijn zus. Toen zij trouwde had ook ik verkering en had het daar erg druk mee. Soms paste ik ook op hun kinderen, maar dat werd uiteindelijk minder, omdat mijn eigen huishouden en werkende leventje ook was begonnen.
Keuzes die ik zelf heb gemaakt zijn mede gemaakt door de omgeving. Het leren schaken bijvoorbeeld. Ik kon daardoor op de HAVO met gemak van de jongens winnen, dat was wel grappig. De interesse voor de ruimtevaart en de sterrenkunde van mijn middelste broer intrigeerde, net als zijn geheugen. De handicap van mijn oudste broer was voor mij de normaalste zaak van de wereld. Ruzie maken met o.a. de zus die boven mij zat hoorde erbij. Met een groot gezin aan tafel eten was gezellig. De verschillende beroepen en keuzes van broers en zussen hebben mij ook laten nadenken. Basketballen is ook mijn sport geworden. De moeite die sommigen hadden met relaties was een leerzame les. Het feit dat we allemaal bij elkaar horen en uit hetzelfde nest komen, geeft toch die familieband.
Van afhankelijkheid naar zelfstandigheid is een weg die ouders, broers en zussen mij hebben meegegeven. Dat heeft mij ook gebracht waar ik nu ben. Een warm thuis met man en vier kinderen.
donderdag 15 november 2012
Bloed
"Vandaag is rood, de kleur van jouw ..." zong Marco Borsato een aantal jaren geleden. De hit is af en toe nog te horen op de radio. Deze is geen bloederig blog, maar gaat wel over bloed. Vandaag is rood dus de kleur van bloed.
2,5% van de Nederlanders is bloeddonor. Als je bedenkt dat een aantal mensen geen bloed mag geven vanwege de leeftijd(te jong of te oud), een aantal mensen niet mogen geven vanwege hun gezondheid en een aantal mensen niet durven, dan zouden er toch meer mensen moeten zijn die wel bloed kunnen/mogen geven dan die schamele 2,5%.
Het is een feit dat er meer donoren nodig zijn. Dit heeft de bloedbank zelf aangegeven. Als donor hebben wij de opdracht gekregen om hier aan mee te werken. U wilt toch ook bloed krijgen als dat nodig is?
In mijn directe omgeving ben ik nu flink aan het lobbyen. Zoon nr. 3, nog maar kort 18 jaar, ook overgehaald om zichzelf op te geven, collega's over de streep aan het trekken en een oproep op Twitter heeft ook al iets opgeleverd.
Mensen denken er vaak niet aan.
Ook in het onderwijs kunnen we tijdens de biologieles aandacht besteden aan bloeddonors of plasmadonors. Een les over bloedgroepen en rhesusfactoren, een les over het vervoer van voedingsstoffen, een uitleg over bloeddruk of gewoon een les kinderEHBO. We kunnen het zo gek niet bedenken of er is wel iets van te leren.
Weet u het verschil tussen volbloed en bloedplasma? Volbloed ziet er rood uit, het is een vloeistof die in het lichaam van dieren circuleert voor de verdeling van voedingsstoffen en de afvoer van overtollige stoffen van de stofwisseling. Bloed bevat o.a. witte en rode bloedcellen. Bloedplasma centrifugeert het bloed in een machine en men krijgt de rode en witte bloedcellen weer terug, het bloedplasma is gelig. Het is hoofdzakelijk samengesteld uit water, proteïnen en minerale zouten. Het kan o.a. glucose vervoeren.Wanneer iemand in de omgeving ziet dat er in het ziekenhuis een zak bloed wordt gegeven aan een patient, ziet men ineens de noodzaak ervan. Bloed, je kunt er een leven mee redden.
Een kleine moeite om enkele keren per jaar (dat kun je ook zelf bepalen) bloed of bloedplasma te geven. Het is bovendien een heerlijk rustpunt in deze hectische maatschappij. Wist u dat er een heerlijk ligstoel klaarstaat en u naderhand wat te drinken krijgt met lekkers?
Dat zet u wellicht ook tot nadenken wat te doen met de eigen organen, wanneer u overlijdt. Maar dat is weer een heel ander vraagstuk.
Begint u eens met een afspraak, laat uzelf eens keuren en geef bloed bij Sanquin Nederland, de bloedbank met een eigen website waar u zich kunt opgeven: www.sanquin.nl Doen hoor! Ze zijn ook te volgen op Twitter @sanquinNL en Facebook: http://www.facebook.com/sanquin
Bloed geven is bloedserieus!
2,5% van de Nederlanders is bloeddonor. Als je bedenkt dat een aantal mensen geen bloed mag geven vanwege de leeftijd(te jong of te oud), een aantal mensen niet mogen geven vanwege hun gezondheid en een aantal mensen niet durven, dan zouden er toch meer mensen moeten zijn die wel bloed kunnen/mogen geven dan die schamele 2,5%.
Het is een feit dat er meer donoren nodig zijn. Dit heeft de bloedbank zelf aangegeven. Als donor hebben wij de opdracht gekregen om hier aan mee te werken. U wilt toch ook bloed krijgen als dat nodig is?
In mijn directe omgeving ben ik nu flink aan het lobbyen. Zoon nr. 3, nog maar kort 18 jaar, ook overgehaald om zichzelf op te geven, collega's over de streep aan het trekken en een oproep op Twitter heeft ook al iets opgeleverd.
Mensen denken er vaak niet aan.
Ook in het onderwijs kunnen we tijdens de biologieles aandacht besteden aan bloeddonors of plasmadonors. Een les over bloedgroepen en rhesusfactoren, een les over het vervoer van voedingsstoffen, een uitleg over bloeddruk of gewoon een les kinderEHBO. We kunnen het zo gek niet bedenken of er is wel iets van te leren.
Weet u het verschil tussen volbloed en bloedplasma? Volbloed ziet er rood uit, het is een vloeistof die in het lichaam van dieren circuleert voor de verdeling van voedingsstoffen en de afvoer van overtollige stoffen van de stofwisseling. Bloed bevat o.a. witte en rode bloedcellen. Bloedplasma centrifugeert het bloed in een machine en men krijgt de rode en witte bloedcellen weer terug, het bloedplasma is gelig. Het is hoofdzakelijk samengesteld uit water, proteïnen en minerale zouten. Het kan o.a. glucose vervoeren.Wanneer iemand in de omgeving ziet dat er in het ziekenhuis een zak bloed wordt gegeven aan een patient, ziet men ineens de noodzaak ervan. Bloed, je kunt er een leven mee redden.
Een kleine moeite om enkele keren per jaar (dat kun je ook zelf bepalen) bloed of bloedplasma te geven. Het is bovendien een heerlijk rustpunt in deze hectische maatschappij. Wist u dat er een heerlijk ligstoel klaarstaat en u naderhand wat te drinken krijgt met lekkers?
Dat zet u wellicht ook tot nadenken wat te doen met de eigen organen, wanneer u overlijdt. Maar dat is weer een heel ander vraagstuk.
Begint u eens met een afspraak, laat uzelf eens keuren en geef bloed bij Sanquin Nederland, de bloedbank met een eigen website waar u zich kunt opgeven: www.sanquin.nl Doen hoor! Ze zijn ook te volgen op Twitter @sanquinNL en Facebook: http://www.facebook.com/sanquin
Bloed geven is bloedserieus!
vrijdag 2 november 2012
Schoolleiders zijn ook gewoon mensen
Een schoolleider of directeur leidt een school. Hij of zij is verantwoordelijk voor het reilen en zeilen in de hele school. Zowel onderwijskundig als financieel, beleidsmatig en organisatorisch. Je bent een soort duizendpoot. Toch is een schoolleider ook gewoon een mens binnen een organisatie. Ieder mens is een medewerker van die organisatie. Elke medewerker heeft zijn eigen verantwoordelijke rol.

Ruim twee jaar mag ik me schoolleider noemen. Het klinkt heel wat, maar ik ben ook maar gewoon een mens met talenten en gebreken, met positieve en belemmerende factoren, met opbeurende en mindere kwaliteiten. Wat maakt iemand nu een medewerker met een specifieke taak, een eigen rol of een andere functie?
Met een vracht aan ervaring in mijn rugzak als groepsleerkracht, RT-er(remedial teacher), ICT-er(ICTcoördinator en IB-er(intern begeleider) en met een portie intrinsieke motivatie kom je al een heel eind. Daarbij vul je ook een stukje levenservaring en ben je bereid om verder te kijken dan je neus lang is. Wat is er nog meer in deze wereld? Wat kan ik doen om de school nog meer op de kaart te zetten? Hoe kan ik zorgen dat de kwaliteit van de leerkrachten op peil blijft en verder ontwikkelt? Waar staat de school en hoe krijgen we die een stap verder?
Zo moet je jezelf ook blijven ontwikkelen. Meegaan in het digitale tijdperk, meegaan met allerlei ontwikkelingen, de schoolresultaten, maar niet minder de schoolsfeer en het werkplezier in de gaten houden. Communiceren intern en extern. Zelfstandig blijven opereren. Samenwerken met anderen.
Door bij te blijven zul je ook buiten de muren van de school moeten blijven kijken. Verruim je blik. Hoe doen andere scholen het? Deel ideeën met collega-directeuren, stel vragen, zoek dingen uit en denk verder buiten de kaders ofwel out of the box.
Zo was ik gisteren op een Conferentie van schoolleiders van CNVO, of eigenlijk CNVS. Een ontmoeting van andere schoolleiders, bouwcoördinatoren en andere bestuurders, waarin opleidingsgericht leidinggeven en co-teaching ter sprake kwam, maar waar ook gelegenheid was om elkaar te ontmoeten.
Zo was er een directeur met een school met 800 leerlingen. Wow, hij deed het al vanaf 1990, dus flink ervaren, maar zeker niet verstoft of berustend in zijn werk. Hij vertelde enthousiast over allerlei ontwikkelingen die gaande zijn, zichtbaar genietend. Hij keek ernaar uit dat er een klas met Ipads of tablets aan het werk zou gaan. Kijk, dat alleen al inspireert. Verder kijken. Nieuwsgierigheid tonen.
Knap om te zien hoe hij een school met 800 leerlingen leidt. Ik ben vergeten te vragen of ik eens een keer bij hem op school zou mogen komen kijken.
Zo heeft onze eigen school er zo'n 150, maar gaat wel veranderen. Een groeiende school. Daarin zie ik nu al verschillen ontstaan. Naarmate een school groter wordt ontstaan er andere communicatielijnen, andere verantwoordelijkheden en nieuwe rollen. Daarbinnen is het de kunst om als schoolleider weer een nieuwe rol aan te nemen, waarin je anderen meer verantwoordelijkheid geeft. Vertrouwen en autonomie bij leerkrachten in hun klas, maar ook bij de verschillende commissies. Verantwoordelijkheid bij bouwcoördinator en IB. Het zijn allemaal taken en rollen die verschuiven. De kunst is, om wel te zorgen dat mensen gemotiveerd blijven, geïnspireerd blijven, ja zelfs bevlogen blijven. Want het onderwijs blijft een geweldig vak. Of je nu een lesgevende, coördinerende ondersteunende of leidinggevende taak hebt als medewerker van de schoolorganisatie, iedere functie/taak/rol is belangrijk. Het belangrijkste is, dat jij je prettig voelt in de rol die van jou wordt verwacht en die jij dus moet vervullen.
Heel veel inspirerend werkplezier met passie, energie en bevlogenheid! En dan maakt het niet uit in welke rol je dat doet.

Ruim twee jaar mag ik me schoolleider noemen. Het klinkt heel wat, maar ik ben ook maar gewoon een mens met talenten en gebreken, met positieve en belemmerende factoren, met opbeurende en mindere kwaliteiten. Wat maakt iemand nu een medewerker met een specifieke taak, een eigen rol of een andere functie?
Met een vracht aan ervaring in mijn rugzak als groepsleerkracht, RT-er(remedial teacher), ICT-er(ICTcoördinator en IB-er(intern begeleider) en met een portie intrinsieke motivatie kom je al een heel eind. Daarbij vul je ook een stukje levenservaring en ben je bereid om verder te kijken dan je neus lang is. Wat is er nog meer in deze wereld? Wat kan ik doen om de school nog meer op de kaart te zetten? Hoe kan ik zorgen dat de kwaliteit van de leerkrachten op peil blijft en verder ontwikkelt? Waar staat de school en hoe krijgen we die een stap verder?
Zo moet je jezelf ook blijven ontwikkelen. Meegaan in het digitale tijdperk, meegaan met allerlei ontwikkelingen, de schoolresultaten, maar niet minder de schoolsfeer en het werkplezier in de gaten houden. Communiceren intern en extern. Zelfstandig blijven opereren. Samenwerken met anderen.
Door bij te blijven zul je ook buiten de muren van de school moeten blijven kijken. Verruim je blik. Hoe doen andere scholen het? Deel ideeën met collega-directeuren, stel vragen, zoek dingen uit en denk verder buiten de kaders ofwel out of the box.
Zo was ik gisteren op een Conferentie van schoolleiders van CNVO, of eigenlijk CNVS. Een ontmoeting van andere schoolleiders, bouwcoördinatoren en andere bestuurders, waarin opleidingsgericht leidinggeven en co-teaching ter sprake kwam, maar waar ook gelegenheid was om elkaar te ontmoeten.
Zo was er een directeur met een school met 800 leerlingen. Wow, hij deed het al vanaf 1990, dus flink ervaren, maar zeker niet verstoft of berustend in zijn werk. Hij vertelde enthousiast over allerlei ontwikkelingen die gaande zijn, zichtbaar genietend. Hij keek ernaar uit dat er een klas met Ipads of tablets aan het werk zou gaan. Kijk, dat alleen al inspireert. Verder kijken. Nieuwsgierigheid tonen.
Knap om te zien hoe hij een school met 800 leerlingen leidt. Ik ben vergeten te vragen of ik eens een keer bij hem op school zou mogen komen kijken.
Zo heeft onze eigen school er zo'n 150, maar gaat wel veranderen. Een groeiende school. Daarin zie ik nu al verschillen ontstaan. Naarmate een school groter wordt ontstaan er andere communicatielijnen, andere verantwoordelijkheden en nieuwe rollen. Daarbinnen is het de kunst om als schoolleider weer een nieuwe rol aan te nemen, waarin je anderen meer verantwoordelijkheid geeft. Vertrouwen en autonomie bij leerkrachten in hun klas, maar ook bij de verschillende commissies. Verantwoordelijkheid bij bouwcoördinator en IB. Het zijn allemaal taken en rollen die verschuiven. De kunst is, om wel te zorgen dat mensen gemotiveerd blijven, geïnspireerd blijven, ja zelfs bevlogen blijven. Want het onderwijs blijft een geweldig vak. Of je nu een lesgevende, coördinerende ondersteunende of leidinggevende taak hebt als medewerker van de schoolorganisatie, iedere functie/taak/rol is belangrijk. Het belangrijkste is, dat jij je prettig voelt in de rol die van jou wordt verwacht en die jij dus moet vervullen.
Heel veel inspirerend werkplezier met passie, energie en bevlogenheid! En dan maakt het niet uit in welke rol je dat doet.
Labels:
autonomie,
bevlogenheid,
communicatie,
directeur,
enthousiast,
Mensen,
ontwikkeling,
samenwerken,
verantwoordelijkheid,
vertrouwen,
zelfstandigheid
Abonneren op:
Posts (Atom)

