On(der)wijs

Welkom op de pagina van onwijs onderwijs. Waarom onwijs? Onderwijs is boeiend en inspirerend, kinderen zijn uniek, elk kind is er een met een aparte gebruiksaanwijziging, elk kind heeft recht op zijn eigen onderwijsbehoefte in zijn eigen omgeving. Raakt u ook al in een flow van bevlogenheid? Op deze blog vindt u allerlei verhalen, beschouwingen en leuke anekdotes over het basisonderwijs in het algemeen. In het bijzonder over de mensen die hier direct of indirect mee te maken hebben: leerkrachten, kinderen, ouders, directeuren, (G)MR-, oudercommissies, ondersteunend personeel en externe instanties, die hiermee te maken hebben.







Veel plezier!







Posts tonen met het label basisonderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label basisonderwijs. Alle posts tonen

zondag 27 oktober 2019

Toekomstdromen in het onderwijs

Het ziet er op dit moment niet zo rooskleurig uit in het basisonderwijs. Hard werken, hoge werkdruk, veel uren, veel ingewikkelde leerlingen, veel veranderingen, mogelijkheden om het onderwijs anders te doen, steeds meer verantwoordelijkheid, matig salaris en te weinig a.s. collega’s die nog gek genoeg zijn om het onderwijs in te gaan. Wat kunnen we doen?

In de afgelopen jaren hebben verschillende noodmaatregelen de revue gepasseerd.Zo kunnen we 4 jarigen bij de opvang laten en de basisschool starten bij 5, het aantal lesuren verminderen, een videoverbinding inschakelen of gewoon ouders optrommelen.Het vak leerkracht, maar ook die van schoolleider, adjunct, onderwijsassistent, conciërge, en wie ook meewerkt in het basisonderwijs, het wordt niet serieus genomen. Een doekje voor het bloeden. We hebben al geld gekregen, dus niet zeuren. Het is jammer, maar we zullen moeten roeien met de riemen die we hebben. Daarmee kunnen we onze geluiden laten horen om de overheid in beweging te krijgen en ik denk dat we dat moeten blijven doen. We kunnen ook nadenken over andere mogelijkheden.

Thuisonderwijs, via een video-interactie, waarbij de leerkracht de lessen verzorgd en ouders het gedrag reguleren. Zo kan de leerkracht doen waar hij goed in is. Gym wordt verzorgd door de BSO*(1 op bepaalde dagen, dagen dat ouders beiden werken, net als de creatieve(waaronder ook koken, techniek, timmeren) en muzikale vakken. Zij regelen ook zwemles en alle sportclub activiteiten, nemen één keer per jaar een uitstapje naar een pretpark en zorgen voor de bezoekjes aan bibliotheek, musea, bos, stad of andere culturele uitstapjes. Workshops waar leerlingen zich voor op kunnen geven. 
Ouders kunnen opvang regelen, waarbij leerlingen les krijgen via de video-interactie, waarbij leerkrachten de uitleg geven en opvang zorgt dat ze opletten. Ouders zullen voor deze vorm van opvang wel meer geld moeten neerleggen, maar kunnen er ook voor kiezen om dit deels zelf te doen. Ze zijn dan enorm betrokken bij wat hun kind moet kunnen en kennen. 
Een spreekbeurt of presentatie kan ook weer via de video worden gemaakt en leerlingen kunnen op een eigen gekozen moment kijken en beoordelen op voor op gestelde criteria. Iedere leerling beoordeelt minimaal zes presentaties. Scheelt tijd.

Andere mogelijkheden, die het bovenstaande kunnen versterken:
1. Leerkrachten die allemaal een eigen vak geven en de instructie van een hele bouw of school (afhankelijk van de grootte) geven.
2. Digitale bibliotheek, waarbij leerlingen op hun devices zelf op elk moment kunnen lezen.
3. Leerkrachten die gespecialiseerd zijn in leerlingen die meer uitleg nodig hebben en met meer concreet materiaal aan de slag moeten. Leerkrachten die meer lessen kunnen ontwikkelen voor de leerling die meer uitdaging nodig heeft.
4. Extra praktijklessen voor praktisch ingestelde leerlingen, eventueel ook in te huren bij BSO.
5. Gevarieerde niveaus van vakken. Dus bijvoo
rbeeld op tekengereedschap heel ver uit kunnen komen (wiskundig niveau) en spelling misschien niet goed kunnen. Het bieden van betere differentiatie.
6. Ontmoetingsplaatsen in de steden creëren waarbij huiswerk gemaakt kan worden en kan worden opgestuurd naar leerkrachten die dit digitaal verwerken. Beheerd door BSO’s.
7. Blogs en vlogs maken en zo zaken aan elkaar vertellen
8. Ouderontmoetingen op bepaalde tijdstippen, geregeld en verzorgd door BSO.
9. Geld van onderwijs direct naar scholen, licenties, ontmoetingsplekken

10. Geen papieren boeken meer, maar de mogelijkheid is er nog wel. Keuze met een extra toelage om het te kunnen drukken.
11. Uitgevers zorgen voor goede digitale methodes. 

Leerlingen zorgen zelf voor papier, pen, reken materialen, tafelkaart indien nodig.leerlingen bepalen zelf wat ze willen gebruiken, hoeveel ze oefenen. Leerlingen bepalen ook zelf hun doelen.
Als we zo de verantwoording meer bij ouders en leerlingen leggen, wordt de druk op scholen minder, kunnen BSO’s hier mooi op inspelen, is het gedrag opgelost en kan er zo veel als nodig ontmoetingen plaatsvinden in de vorm van sport, spel, verjaardagen, uitstapjes etc. Dan hebben we een hele andere structuur bedacht en hebben straks die schoolgebouwen, intern begeleiders, directies en besturen ook niet meer nodig. Of wel? Wie garandeert de kwaliteit? Wordt de rol van al deze onderwijskundigen een andere? Zijn er meer technici nodig om de video-interactie goed te laten verlopen? Zijn er meer pedagogisch medewerkers nodigen genoeg ontmoetingsmomenten te kunnen realiseren? Ik denk dat we wel met minder leerkrachten toekunnen. Lerarentekort opgelost. 
Misschien kan ik zelf wel vervroegd met pensioen als ik overbodig word. Blijven dromen kan altijd.

*(1 BSO = Buiten Schoolse Opvang

vrijdag 21 juli 2017

Reactie op "leraren PO en VO zijn gelijk, maar ..."


Reactie op "Leraren PO en VO zijn gelijk, maar ..."
Omdat het in de pen klimmen een verouderde zegswijze is, kruip ik in mijn laptop om te reageren  op Wijnand Rietman, Trouw 20 juli jl. (zie onderaan dit artikel), waarin hij een aantal argumenten noemt, die gerechtvaardigd zijn om VOdocenten een hoger salaris te bieden. De meeste argumenten kan ik weerleggen. Meer waardering voor PO docenten is op zijn plaats.

Opleiding
De PABO is steviger dan buitenstaanders doen vermoeden. Minors, onderzoek, verslagen en de stageopdrachten. Een doorzetter van het MBO kan dit halen. De toelatingseis voor natuurkunde of wiskunde kan ik onderschrijven. Aanvullende masters zijn een kroon op het gevolgde HBO. Beste meneer Winand, weet u hoeveel POdocenten er tegenwoordig een Master volgen of hebben gevolgd? Zelf heb ik er zelfs twee op zak. Ik heb er nooit een cent meer voor gekregen. Lesgeven in de bovenbouw vergt meer door de exameneisen. Vergeet niet dat leerkrachten in het basisonderwijs ALLE vakken moeten bijhouden. Kijk alleen al naar topografie van Europa.
                Functie-eis
Functie-eisen zijn ingewikkeld. Vakdidactisch is er veel veranderd bij de individuele aandacht voor elk kind; differentiatie is  groter en ingewikkelder geworden.Pedagogisch bouwt een leerkracht een band op met een groep. Waar een VOdocent nog 4 dezelfde klassen in een week heeft, heeft de POleerkracht de hele week dezelfde leerlingen, waarbij alle lessen voorbereid moeten worden. Van klei snijden tot analyse van de laatste toetsgegevens en  voorbereiding voor de volgende rekenles. Leerlingen met ADHD, dyslexie, dyscalculie of hoogbegaafdheid vragen extra aandacht. Het VO heeft dit grotendeels uitgefilterd. Kun je niet meekomen of scoor je onvoldoende, pech gehad. Een leerkracht basisonderwijs bekijkt waar die leerling in die situatie het meeste baat bij heeft.
Capaciteiten
Capaciteiten worden jaarlijks verantwoord in hun functioneringsgesprek. Wat gaat goed, wat kan beter? Als schooldirecteur bezoek ik alle groepen minimaal 5x per jaar. Bevragen waarom ze een bepaalde keuze maken. Administratie is een onderdeel van het werk, de inhoud staat centraal. Bespreken hoe we lesgeven, welke methode moet worden aangeschaft en hoe we leerlingen zelf verantwoordelijk kunnen maken, dat is namelijk ons vak.
Ervaring
De basisschoolleerkracht neemt veel werk mee naar huis. Een nieuwe groep vergt meer voorbereiding, want dan is alles weer nieuw. Net als een nieuwe methode, die ook elk jaar voor een van de vakken aan de orde is. Een methode gaat acht jaar mee.
Normjaartaak 1659 uur: Uren en taken.
De normjaartaak is in het onderwijs 1659 uur per jaar. Door andere lestijden is dit voor VO gunstiger. Een fulltime docent VO draait 28 lesuren van 45 minuten, hetgeen betekent dat hij 21 klokuren aan lesuren maakt. De leerkracht PO maakt gemiddeld 24,75 lesuren. Er blijft minder tijd over. De taken van een POdocent zijn omvangrijker dan op VO, waar veel meer leraren lesgeven. Een fulltime docent moet naast zijn werk 192 taakuren maken. Denk aan commissies, Paasviering, medezeggenschapsraad en schoonmaken.  
Contacturen ouders
Contacturen met ouders op de basisschool is vele malen hoger door de differentiatie. Zorgleerlingen met een arrangement kosten extra tijd. De leerkracht moet de leerling zelf begeleiden. Het geld voor een arrangement gaat naar 5x extra begeleiding door een externe partij.
Differentiatie
Differentiatie is geen sinecure. Er wordt globaal in drie niveaus lesgegeven. Daarbij zijn er uitzonderingen die stagneren bij lezen of rekenen en hoogbegaafde leerlingen. Kortom, een leerkracht PO zal alle zeilen bij moeten zetten om de onderwijsbehoefte van leerlingen in kaart te brengen en daar dagelijks op te anticiperen.
Veranderingen in de maatschappij
Veranderingen in de maatschappij zien we terug in het basisonderwijs. De transparantie, de verantwoording, de digitalisering, de actualiteit die op leerlingen af komt en de verandering in bijvoorbeeld leesgedrag, wat een enorm effect heeft op de hele onderwijsloopbaan. Leerkrachten moeten hier iets mee in hun lessen. Wat te denken van tablets in het onderwijs?
Specialisaties
Specialisaties kennen we ook in het PO waar in plaats van de lage LA schaal een LB schaal voor gegeven kan worden, mits een HBO+ opleiding en een verantwoordelijke functie binnen de school. 
Liefde en passie
Liefde en passie kunnen niet ontbreken als je werkzaam bent in het onderwijs. Als je observeert, naar  luistert en probeert leerlingen te begrijpen wordt er een band opgebouwd.  Het belang van empatisch vermogen van de leerkracht. Ik denk dat een leerkracht in het PO hier veel moet investeren vanwege de leeftijd, de kwetsbaarheid en de verantwoordelijkheid als volwassenen naar deze jeugdige leerlingen. In het VO is die omgang er meer bij jong volwassenen en vergt andere invalshoeken en humor. Tegelijkertijd kan er afstandelijker worden gereageerd juist omdat men leerlingen maar enkele uren per week ziet. Het een is niet meer dan het ander. Docenten zullen moeten investeren.
Conclusie:
De bovenbouw VO verdient een hoger salaris. Hiervoor moet men meer in huis hebben. De POdocent verdient meer. Hij is een volleerde circusartiest die alle ballen hoog moet houden, balanceert op werk waar kinderen leren en resultaten omhoog moeten, als acrobaat slingert van lesgeven van verschillende vakken naar taken buiten de school en terugzwaait naar een oudergesprek, maar ook als clown de gezellige sfeer in een groep teweeg kan brengen en daardoor een vertrouwensrelatie kan opbouwen. Een circusartiest die ook nog eens buiten het circus door moet werken. Een leerkracht in het basisonderwijs heeft een geweldige, afwisselende, boeiende, maar ook een zeer verantwoordelijke en uitdagende baan. Een baan waarin de liefde en passie voor kinderen, voor de leerlingen voorop moet staan. Ga er maar aan staan!
Artikel Trouw 20 juli 2017 van Wijnand Rietman:
Opleiding en inhoud van het werk rechtvaardigen hogere salarissen in het voortgezet onderwijs dan op basisscholen, vindt Wijnand Rietman, oud-docent op het havo/vwo en oud-schooldecaan.

Ik las een merkwaardig pleidooi om de salarissen in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs gelijk te schakelen. In veel bedrijfstakken (techniek, ICT, economie, recht) spelen opleiding, zwaarte van de functie, capaciteiten en ervaring een belangrijke rol bij de toekenning van functie en salaris. Voor het basisonderwijs is de pabo de vooropleiding, die veel leerlingen met een mbo-diploma trok. De uitval was groot. Daarom zijn de toelatingseisen aangescherpt. Mbo- en havo-leerlingen moeten nu aardrijkskunde, geschiedenis en biologie of natuurkunde in hun bagage hebben of daarover een toets maken (op niveau 3havo). Het leidde tot een scherpe daling in de aanmeldingen. Voor leerlingen met vwo-diploma zijn er geen toelatingseisen. Als schooldecaan hoorde ik van oud-leerlingen (havo en vwo) nooit over problemen op de pabo. Onze leerlingen vonden het een relatief eenvoudige opleiding, de stof niet moeilijk, maar wel veel. Van collega-decanen hoorde ik soortgelijke verhalen.
Stevige toelatingseis
Om leraar in het voortgezet onderwijs te worden is een lerarenopleiding (hbo of universitair) nodig, vrijwel altijd met een stevige toelatingseis. Om docent natuurkunde te worden (een van de vakken waar een tekort is aan bevoegde leraren), heb je een havo- of vwo-diploma nodig met natuurkunde en wiskunde-A of -B. Bij wiskunde zijn de eisen nog strakker. Voor mbo-leerlingen zijn de slaagkansen nihil als ze niet eerst een certificaat wiskunde-B halen. Na een hbo-lerarenopleiding heb je een tweedegraads bevoegdheid. Je mag lesgeven in de eerste drie klassen van havo en vwo, in het vmbo en in het mbo. Voor een eerstegraads bevoegdheid is een aanvullende master (hbo) nodig of een universitaire lerarenopleiding, een masterstudie.
Om les te kunnen geven, zeker in de bovenbouw van havo en vwo, is een stevige kennis van één of meer vakken nodig. Kijk maar naar de inhoud van de eindexamens. Dat vak moet je bijhouden vanwege nieuwe onderwerpen en veranderende exameneisen. Daar- naast zijn kennis en ervaring met vakdidactiek en pedagogiek onmisbaar.
Dan de praktijk van het werk. Een leraar basisonderwijs trekt de hele week met dezelfde groep leerlingen op. Dat biedt mogelijkheden voor afwisseling, bijvoorbeeld in inspanning en ontspanning. De klachten van leerkrachten op de basisschool gaan vooral over de grote hoeveelheid administratie en papierwerk, niet over de inhoud van het lesgeven. De verschillen tussen de leerlingen in één groep kunnen heel groot zijn, wat stevige eisen stelt aan de didactische vaardigheden van een leraar. Veel leraren slagen er echter in om overdag, tussen negen uur en vijf uur, het werk en de correctie rond te krijgen.
Daarentegen ziet een leraar in het voortgezet onderwijs per week soms wel tien of meer groepen, met grote verschillen in leeftijd en niveau. Op één dag zijn er soms wel zeven verschillende lessen. Dat betekent zeven keer een uur waarin alle aandacht en concentratie noodzakelijk zijn. Na afloop van die lessen ligt er vaak een flinke klus aan voorbereiding en correctie, die meestal mee naar huis gaat. Er zijn vrijwel al-tijd nog aanvullende taken, zoals een mentoraat en andere vormen van leerlingbegeleiding. Avondwerk is er eerder regel dan uitzondering.
Logisch
Conclusie? Gelet op het niveau en de zwaarte van de opleiding en de inhoud van het werk is het logisch dat vo-leraren in een hogere salarisschaal dan collega's in het basisonderwijs beginnen. Leerkrachten in het voortgezet onderwijs kunnen tevens doorgroeien naar een hogere salarisschaal, maar dan hebben ze wel extra verplichtingen, zoals in het schoolmanagement, het ontwikkelen van een specialisme of het leiden van een sectie of werkgroep.





vrijdag 24 juli 2015

Ontpoppen

N.a.v. een tweet met de hashtag #blimageNL van @fransdroog hieronder een blimage. De uitdaging die Frans bood ben ik aangegaan met de afbeelding van een "rups" welke Frans als een van de vier opties geboden had om hier een blog over te schrijven met in het achterhoofd het onderwijs. Natuurlijk ben ik deze uitdaging, overgevlogen uit Amerika (blimage = blog + image) en gepromoot door Frans Droog aangegaan. Vanuit het primair onderwijs heb ik de rups proberen te laten ontwikkelen, laten ontpoppen en hoop ik dat ik iets moois uit voortkomt.

Ontpoppen.

De zomer is een tijd van afstand nemen en loslaten. In het onderwijs is het ook een tijd van bezinnen. Waar sta ik, wat wil ik, wat zijn mijn plannen en hoe wil en kan ik deze tot uitvoer brengen? Het schoolplan 2015-2019 en ook het optimaliseringsplan (de gedetailleerdere uitwerking van het schoolplan per jaar) heeft hierin mooie vormen aangenomen.
Toch is de onzichtbare toekomst met toekomstplannen er ook een van koffiedik kijken. Een plan moet voortdurend worden bijgesteld en wellicht zelfs omgegooid. Sommige plannen, neem de ICTplanning zijn zelfs moeilijk in te schatten en te maken. De digitale wereld is niet bij te benen. De ontwikkelingen gaan harder dan het onderwijs kan nadenken.
Zo voelt de foto van de rups. Je weet dat er iets moois uit zal komen. Je weet dat het een vlinder wordt. Maar geen idee hoe groot, welke kleuren, hoe lang hij zal leven, wat het doet en wat het uiteindelijk voortbrengt.
Dit alles kan een tweeledige uitwerking hebben. Of je hebt een goede keus gemaakt en het pakt goed uit. De devices die je hebt ingezet zijn van meerwaarde. De licenties die je heb aangekocht zijn de goede. Anderzijds kan het ook verkeerd uitpakken. Zit je nog met te oude computers, verkeerde licenties, foute methodes en ga zo maar door.
Maar wie niet waagt, wie niet wint. Een sprong maken is dus wel belangrijk. Wie kan meehelpen om die goede sprong te maken? Het blijft een wankele kwestie, een risico, een financiële gok die je niet als strop wilt hebben.
Een natuurgids kan helpen bepalen wat voor vlinder er uit deze rups komt. Maar wie kan helpen bij het voeren, het maken van een kokon en tenslotte de goede manier weten om te ontpoppen tot een prachtig resultaat?
Of moeten we het over een andere boeg gooien? Niet alleen deskundigen vragen, maar ook de leerlingen zelf. Dit gebeurt al in het hoger beroepsonderwijs en op de middelbare school. Zou dit ook van toepassing kunnen zijn in het primair onderwijs? Te starten in de bovenbouw. Leerlingen weten vaak al meer dan de leerkrachten op het gebied van ICT.
En wat willen we bereiken?
Een vlinder die vliegt en weer nieuwe eitjes legt, waar opnieuw rupsen uitkomen. Dan ontwikkelen we verder. Dat is de kunst.

zaterdag 19 januari 2013

CITO en kwaliteit

De inspectie controleert een aantal CITOscores en de eindscore van groep 8. Daarop wordt een school beoordeeld of hij goed, matig of zelfs zwak is. Een zwakke school kan jhet schudden, want die krijgt extra toezicht. Is dat wel terecht? Een school beoordelen op de CITOscores?

Het is weer januari en de CITOtoetsen(de Midden versie) vliegen weer om onze oren, of eigenlijk om de oren van de leerlingen. De CITOeindtoets voor groep 8 volgt begin februari.
De CITO beoordeelt een aantal zaken. De kennis van taal, rekenen, begrijpend lezen en spelling. In de CITOeindtoets van groep 8 zit ook nog een deel informatieverwerking. Is hiermee een school in kaart gebracht? Voor de inspecteur zijn dit de belangrijkste cijfers.
Minstens zo belangrijk is, of kinderen met plezier naar school gaan. Voelen kinderen zich veilig? Hoe er wordt omgegaan met ongewenst gedrag. Worden kinderen die anders zijn geaccepteerd? Hoe wordt omgegaan met sociale vaardigheden? Worden kinderen gestimuleerd om zelfstandig te worden? Kunnen kinderen presenteren? Kunnen kinderen een goed verhaal op paier zetten? Hoe worden kinderen die opvallen extra begeleid? Welk taalgebruik wordt gehanteerd op school? Krijgen kinderen daadwerkelijk waar ze behoefte aan hebben?
Het zijn allemaal belangrijke items waarmee het rugzakje van een kind gevuld wordt en waarom een basisschool zich ook basisschool mag noemen. Dat is natuurlijk wel meer dan alleen de cijfers van de CITO. 
Nu kijkt de inspectie ook naar de zorgtaken binnen een school, het pedagogisch klimaat wordt meegewogen, en zo zijn er nog een aantal criteria waaraan een breed schoolonderzoek onderworpen wordt. Toch zijn de opbrengsten tussendoor en ook die van groep 8 wel doorslaggevend. Dat is niet geheel terecht.
Waarom niet? Allereerst vanwege de bovenstaande vaardigheden die kinderen ook behoren mee te krijgen als basis. Het heet niet voor niets basisschool. Maar ook omdat een deel geografisch bepaald is. Een school kan een langdurig zieke leerkracht hebben, waardoor het leerrendement stagneert. Er zijn scholen die zullen frauderen, waardoor eerlijke scholen er nog beroerder uitkomen. Als een schooljaar later begint scoort jouw groep (met name groep 3 is hierin vaak de pineut met het aanleren van de letter "f").
Wie bepaalt de norm van een CITOtoets? Heeft CITO de (onderwijs)macht in handen? Moet er echt getraind worden op CITOtoetsen?
Let wel, ik vind er niets mis met het toetsen om te bekijken wat de behaalde score is. Waar stonden we en wat hebben we bereikt.
Maar om scholen die hun stinkende best doen af te rekenen op cijfers en niet alle andere belangrijke zaken mee te nemen, vind ik een kwalijke zaak.
Het wordt tijd dat de aandacht weer terug gaat naar Het Kind. Hoe ontwikkelt dit kind zich, op deze school, bij deze leerkracht en in deze groep? Daar draait het om: het kind!

vrijdag 2 maart 2012

Erbij en eraf


In groep 3 van het basisonderwijs begin je er al mee. De sommen met + heten erbij, de sommen met - heten eraf. Via bussommen wordt dit inzichtelijk gemaakt. Instappen en uitstappen. Een prachtige manier om kinderen te leren wat erbij en eraf betekent.

In het hele lagere onderwijs cq basisonderwijs is het niet anders. Het lagere onderwijs, dat enerzijds eerst sec lesgeven en kennisoverdracht behelste en anderzijds een pedagogische taak had, versmeltte tot een basisschool, waarin beiden belangrijk waren.
Vervolgens komen er allerlei uitspraken en ideeën, wat er nog meer moet komen op de basisschool. Erbij. Wat kwam er allemaal bij? Sociale redzaamheid (allerlei zeer belangrijke sociale vaardigheden, denk o.a. aan het kringgesprek), gezond gedrag, samenwerking, presenteren, burgerschap, verkeer, seksuele voorlichting, werkstukken maken en dan heb ik het nog niet eens over bijvoorbeeld klokkijken, dat je gewoon thuis van je vader en moeder kunt leren. Het is immers belangrijk om elk kind een goede basis mee te geven zodat het zich goed kan ontwikkelen. Helemaal eens.
Maar erbij, erbij en erbij leidt onvermijdelijk tot knelpunten. Ook al wilden we dit in eerste instantie allemaal niet zien. Kennen kinderen niet alle feiten meer uit hun hoofd, ze kunnen het wel opzoeken. Kunnen kinderen niet goed rekenen, ze kunnen het uitrekenen op de rekenmachine. Kunnen ze niet goed spellen, de spellingcontrole op de computer biedt uitkomst. Of toch niet?
De inspectie van het onderwijs controleert bepaalde toetsen in het basisonderwijs, die moeten leiden tot een oordeel. Daar is op zich niets mis mee. Maar laat diezelfde inspectie in opdracht van het ministerie van onderwijs de toetsen volgen op het gebied van lezen, rekenen en begrijpend lezen in bepaalde groepen. En wat blijkt nu? De resultaten gaan achteruit. Men vindt dit schokkend. Maar hebben zij er niet zelf voor gezorgd, dat er eerst van alles de basisschool in moet? Erbij erbij en erbij? Zonder er ook maar iets uit te halen. Dan kun je natuurlijk niet verwachten dat er nog steeds evenveel uren taal en rekenen wordt gegeven als pakweg 30 jaar geleden?
Wat mag eraf? Wat moet eraf? Die vrijheid krijgt elke basisschool zelf, maar er moet wel een toetsing zijn voor sociale vaardigheden, op het rooster moet burgerschap voorkomen, het pedagogische klimaat is enorm belangrijk, want als een kind niet lekker in zijn vel zit, kun je rekenen tot je een ons weegt, hij leert er niet beter op.
Dus terug naar de basis? Wat is dan de basis die kinderen van 4 - 12 jaar daadwerkelijk nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen? Mijns inziens zijn veiligheid, openheid, betrokkenheid, een goede sfeer en daarmee een fijn pedagogisch klimaat enerzijds en de kennisoverdracht en het maximale uit kinderen halen anderzijds nog steeds belangrijke items. En hierin schuilt het gevaar van het ministerie van onderwijs, dat nu ineens de kennis wil opschroeven. Noem het een golfbeweging. Ik denk, dat wanneer wij erbij hanteren, dat we dan ook eraf moeten hanteren. Er zal ergens ook iets vanaf moeten.

Terugkomend op het allereerste begin, kinderen van groep 3 zien ook dat die bus op een gegevende moment propvol zit. "Juf, nu moet je 'eruit' doen". Zij zien dat wel. Nu het ministerie van onderwijs en de inspectie nog. Want we willen allemaal goed onderwijs voor onze kinderen. De vraag is echter: Wat is goed onderwijs?
Goed onderwijs is een balans tussen een goede omgeving om te leren en de kennisoverdracht. Erbij en eraf. Laat die weegschaal niet te ver doorslaan.

vrijdag 13 januari 2012

De ander


Mensen hebben mensen nodig. Kinderen hebben kinderen nodig. We kunnen niet zonder. Soms is het wel lekker om alleen te zijn of even alleen iets te doen. De een vindt dat zelfs lekkerder als een ander. De een is meer een einzelgänger, dan een ander. Niets mis mee.
Als je iets nodig hebt, of als er iets is, merk je pas echt hoe je een ander nodig hebt. Maar ook gewoon in het dagelijkse leven werken en leven we met anderen. Denk maar aan de boodschappen, het kopen van kleren, het vervoer waarmee we reizen of de sportvereniging waar je naartoe gaat. Veel heeft met anderen te maken.
Sommige mensen vinden dat prettig, anderen niet. Sommigen praten veel, anderen doen weer meer. Iedereen is verschillend, en juist dat maakt het zo boeiend.
Als iemand jou echt nodig heeft, verandert er iets in de relaties tussen mensen en/of kinderen. Toch verandert de waarden tussen mensen niet. Als iemand hulp nodig heeft, help je een ander zonder daar een waardeoordeel aan te verbinden. Iemand is niet minder als hij hulp nodig heeft, iemand is niet meer als hij hulp kan geven. Ik moet zeggen, dat het wel een goed gevoel geeft als ik word geholpen door een ander, maar ook als ik een ander kan helpen.
Het is de kunst om dat ook onze kinderen op school te leren.
Hoe blij ben ik met de hulpdienst van het wegverkeer, als de auto weigert te rijden en ik geen kant meer op kan. Anderzijds ben ik ook blij als ik mijn moeder kan helpen bij een bezoekje aan het ziekenhuis, wat haar een berg energie kost. Heerlijk om dat samen te kunnen doen.
Door hulp te bieden en/of hulp te krijgen, door dingen samen te doen, door samen verder te komen, leren wij om te gaan met de ander. Sociale vaardigheden zijn daarbij belangrijk, maar ook het gevoel van veiligheid en openheid. Het samen leren, van elkaar leren, open staan voor vragen en onverwachte gebeurtenissen. Samen sta je sterk. En dat is nu precies wat ik op school met kinderen wil bereiken: een veilige, open, eerlijke en prettige omgeving met een goede sfeer en betrokkenheid van ouders. Daarmee leer je kinderen een basis leggen voor de rest van hun leven. 




woensdag 31 maart 2010

Basisschool van 9 jaar

"Geef school de ruimte voor extra jaar", zo kopte de Trouw vanmorgen. Het artikel gaf het standpunt van de VO-raad om voor VMBO en HAVO een extra jaar te mogen inzetten. Uitstekend, want er zijn inderdaad verschillen, al heel lang.
Kan nu de PO-raad zich hier ook niet even over buigen voor de basisschool? Een school van vaak een krappe acht jaar als het gaat om leerlingen die geboren zijn van augustus t/m december. Want die kinderen moeten tegenwoordig doorstromen met een krappe 2 jaar kleuteronderwijs naar groep 3. Daar stranden de leerlingen die dat niet aankunnen. Want ook in het basisonderwijs zijn niet alle leerlingen gelijk.
Dus mensen van de PO-raad en inspectie van het onderwijs: Bedenk dat veel jonge kinderen beter af zijn met een extra kleuterjaar, meer rijpen en zo op die manier sterker naar groep 3 gaan! Dus ook voor de basisschool een extra jaar inzetten en dan kan het basisonderwijs van 9 jaar dus ook en wordt tegelijk een doorgaande leerlijn gehanteerd.

donderdag 3 december 2009

Samenwerking binnen het onderwijs

N.a.v. een blog "Afstemming in het kleuteronderwijs" van mijn goede vriendin Esmeralda, die een blog bijhoudt over de gezonde omstandigheden op het werk, wil ik even reageren op al die kleuterjuffen uit het artikel dat zij aanhaalt: "Kleuterjuf vindt werk niet leuk meer" (uit P&O Actueel).
Om met een paar opvallende kritische kanttekeningen te beginnen:
1. Het aantal kleuterjuffen dat ondervraagd is relatief laag (350).
2. De leeftijdscategorie van de ondervraagde kleuterjuffen is niet bekend, dat kan een scheef beeld opleveren.
3. De opmerkingen uit het artikel lijkt van oudere kleuterjuffen(van de Klos), wat een beeld oplevert, alsof het nu allemaal niet goed meer is.
4. De hele maatschappij ontwikkelt zich, zo ook het kleuteronderwijs.
Ik wil hiermee bewerkstelligen dat ik denk dat niet alle kleuterjuffen/leerkrachten van groep 1 en 2 denken zoals de ondervraagde personen. Je hoort de oudere generatie deze opmerkingen maken, maar ook lang niet alle!
Natuurlijk is de administratieve rompslomp in het hele onderwijs en vele andere beroepen iets wat extra werk oplevert, maar ook helderheid en duidelijkheid verschaft als het gaat om kinderen (of patienten bv.): als het iets mankeert of als er iets bijzonders is gebeurd. Goede registratie en dossiervorming is belangrijk bij het verdere volgen van ieder kind afzonderlijk. Ook de overdracht naar een nieuwe leerkracht is daarbij cruciaal!
Het nieuwe kleuteronderwijs is het onderwijs aan jonge kinderen dat in beweging is, waardoor er nieuwe inzichten komen. De letters die hierbij hun intrede hebben gedaan is niet "gewoon" maar aanleren van letters, maar het op een speelse wijze leren van mondelinge en schriftelijke taal en de klanken die daarbij horen, zodat de kinderen goed voorbereid zijn op hun taak in groep 3, maar vooral een goede basis krijgen in hun verdere leesontwikkeling.
In het (kleuter-)onderwijs kun je op drie verschillende manieren leren, al is een combinatievorm ook mogelijk:
1. ervaringsgericht
2. basisontwikkeling
3. programmagericht
In de groepen 3 t/m 8 zijn de meeste scholen meer programmagericht bezig, maar in kleutergroepen ofwel groep 1 en 2 kan op een ervaringsgerichte(vanuit de ervaringen van het kind) manier lesgegeven worden en eventueel vanuit de basisontwikkeling geleerd worden. Er zijn allerlei ontwikkelings- en leerlijnen, ook in de kleutergroepen. Met de basisontwikkeling in het achterhoofd worden hoeken zichtbaar, beperkte werkplekken, de kleine kring, de beer op de stoel, de observerende en stimulerende leerkracht met pen en papier, etc. Zo kan de kleuterjuf de kinderen volgen en stimuleren in hun sociale en cognitieve ontwikkeling.
Neemt niet weg, dat de afstemming, waar Esmeralda het over heeft, tussen kleuters en de rest van de basisschool soms toch niet soepel verloopt. Er moet een samenwerking zijn, een geven en nemen vanuit de kleutergroepen, maar ook vanuit de groepen 3 en 4 naar beneden. Hoe kunnen we de basisschool een veilige omgeving bieden waarin elk kind zijn eigen doorlopende ontwikkeling en leerlijn kan volgen.
Als Sharon Dijksma dit ook wil met peuters lijkt me dat prima, dan moet er samenwerking komen tussen peuterspeelzalen en kleuteronderwijs. En ik kan u hier al vertellen, dat die start is gemaakt.
Een breed opgezet gebouwencomplex met daarin peuteronderwijs, basisonderwijs en de mogelijkheid tot overblijven of opvang kan voor kinderen een rustige jeugd geven en een veilige plek bieden. Maar laten we vooral niet vergeten dat ze kennis moeten maken met de wereld daarbuiten.