On(der)wijs

Welkom op de pagina van onwijs onderwijs. Waarom onwijs? Onderwijs is boeiend en inspirerend, kinderen zijn uniek, elk kind is er een met een aparte gebruiksaanwijziging, elk kind heeft recht op zijn eigen onderwijsbehoefte in zijn eigen omgeving. Raakt u ook al in een flow van bevlogenheid? Op deze blog vindt u allerlei verhalen, beschouwingen en leuke anekdotes over het basisonderwijs in het algemeen. In het bijzonder over de mensen die hier direct of indirect mee te maken hebben: leerkrachten, kinderen, ouders, directeuren, (G)MR-, oudercommissies, ondersteunend personeel en externe instanties, die hiermee te maken hebben.







Veel plezier!







Posts tonen met het label onderwijsbehoefte. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijsbehoefte. Alle posts tonen

dinsdag 4 juli 2017

Lerarentekort

De tornado die lerarentekort heet is al langere tijd dreigend op ons af aan het stormen. Steeds minder mensen naar de PABO. Het beroep dat steeds onaantrekkelijker wordt. De werkdruk die ook niet alle credits heeft om nu vol passie voor de klas te willen. Kortom, wie wil er nu nog voor de klas staan?
Wat kunnen we op korte termijn doen om dit lerarentekort een halt toe te roepen? Of moeten we zeggen dat er een leerlingenoverschot is en de uitdaging van die kant benaderen?


Het lerarentekort is een onomkeerbaar probleem dat op ons af komt. Of toch niet? Natuurlijk zijn er mogelijkheden, maar dat betekent dat we ‘out of the box’ moeten denken. En met al die wettelijke regels valt dat natuurlijk niet mee. Want we willen wel dat het om kwalitatief goed onderwijs gaat.

Het aantal leraren aanzienlijk vergroten zodat het probleem is opgelost,  is een utopie. Wanneer we het probleem omdraaien en bekijken dat we dan dus met een leerlingenoverschot zitten, kunnen we de zaak van een andere kant bekijken. Maar ja. Je kunt moeilijk leerlingen eruit gooien. Elke leerling heeft immers recht op (passend) onderwijs.

Het woord ‘passend’ doelt natuurlijk op de onderwijsbehoefte van leerlingen. We kunnen het woord ‘passend’ ook gebruiken in tijd.

Met te veel leerlingen kunnen we dus niet veel. Maar die te veel aan leerlingen kosten dus te veel uren onderwijs. Daar zouden we wel aan kunnen sleutelen.

In het basisonderwijs wordt per week 23,5 tot 26 uur les gegeven.  Vergelijkbaar is dit in het middelbaar onderwijs, want daar zijn uren van 50 minuten – een volledige baan van 29 uur les is 29 x 50 = 1450 minuten = (afgerond) 24 uur. Gemiddeld wordt er in het basisonderwijs per jaar 940 lesuren gegeven. Als we deze uren nu eens terugbrengen naar 700 uur per jaar en daar meteen ook wat overtollige ballast van burgerschap, seksuele voorlichting,  e.d. wegnemen. Dan kunnen we leerkrachten meer ruimte geven, leerlingen genoeg leerkrachten geven en meteen de werkdruk verlagen. Met 700 : 39 weken = 18 uur per week les.

Dit vergt wat nadenkwerk over een verplicht curriculum. Het kan de nodige lucht geven aan alle partijen. Over partijen gesproken, die politieke partijen zitten nu toch om de tafel met Tjeenk Willink, laten ze dan meteen wat spijkers met koppen slaan en sla dit advies nu niet in deze stormachtige wind. Een tornado brengt een hoop schade met zich mee.



zaterdag 31 oktober 2015

Ontwikkeling


Ontwikkelen heeft volgens de digitale encyclopedie (BRON: http://www.encyclo.nl/) een aantal betekenissen:
- bedenken en maken vb een energiezuinige hybride auto ontwikkelen
- het ontwerpen en uitvoeren vb: wie van jullie heeft dit plan ontwikkeld?
- opnames zichtbaar maken vb: het filmpje moet ontwikkeld worden- ontstaan vb: er ontwikkelde zich een discussie
- kennis vergroten, erbij leren vb: onze Jantje ontwikkelt zich voorspoedig
- langzamerhand beter en sterker worden
- stimuleren van het bereiken van persoonlijke doelen door de ontwikkeling van kennis, competenties en talenten.
- doen groeien
- ontvouwen

- kweken


In het onderwijs hebben we het met name over bedenken, maken, ontstaan, kennis vergroten en sterker worden. Dat kunnen leerlingen zijn, maar uiteraard ook leerkrachten, intern begeleiders, remedial teachers, onderwijsassistenten, directeuren, bouwcoördinatoren, lerarenondersteuners en conciërges. Vanuit de leerkracht (of andere begeleider voor de leerling) en de ouder door het stimuleren daarvan. De leerling op een hoger plan brengen. De leerling een stapje, een sprong of een niveau verder helpen.

Als we een leerling vergelijken met een bol of andere plant die uit een zaadje groeit, weet je dat er al bepaalde genetische eigenschappen in de bol of het zaadje aanwezig zijn. Toch is de omgeving voor een bol of zaadje heel belangrijk. Het moet op het goede moment gepoot of gezaaid worden, zonlicht speelt een rol, de temperatuur moet goed zijn en de hoeveelheid vocht moet zijn afgestemd op de toekomstige plant. Alle omstandigheden zijn belangrijk om de plant optimaal tot bloei te laten komen.

Zo is het ook met onze leerlingen. De omgevingsfactoren zijn belangrijk. De begeleiders in de omgeving van het kind kunnen het kind stimuleren, maar ook het lokaal waar een kind zit speelt een rol, het geluid. Bij de ui zie je de omgeving aan de buitenkant. (Bron:www.galamaorganisatieontwikkeling.nl)

Het gedrag is hoe een leerling handelt. Wat doet het om zich te kunnen ontwikkelen. Waarom doet een leerling het op die manier? Hoe kunnen we hem helpen om het beter te doen?

Steeds verder naar binnen in de ui komen we bij het kind zelf. Op school kijken we naar de belemmerende en stimulerende factoren (denk hierbij aan de theorie van handelings werken) die een leerling kunnen afremmen of juist verder kunnen helpen. De leerkracht doet ertoe. Hij of zij gaat bekijken, bevragen, uitproberen en in gesprek met ouders en kind wat hem helpt en wat beter is om niet te doen. Men zoekt naar de onderwijsbehoefte van het kind.

De onderwijsbehoefte is eigenlijk een soort gebruiksaanwijzing. Op welke manieren gaat deze leerling het beste functioneren. Hoe gaat deze leerling het prettigste werken. Wanneer zit deze leerling het beste in zijn vel.

Het is de kunst om elke leerling een stapje verder te brengen en hem of haar het gevoel te geven dat het iets heeft geleerd. Dat houdt een leerling nieuwsgierig en zal zich de volgende dag weer inzetten om iets nieuws te leren.

Het is voor de leerkracht een opdracht om de leerling te laten ontwikkelen, te laten groeien.
Door de ontwikkeling goed te laten verlopen is het fijn als de leerling en de leerkracht weten waar het naartoe moet. Welk doel, welke richting wil de leerling op? Wat wil deze leerling leren? Hoe wil de leerling dat leren? Wat heeft de leerling daarvoor nodig?

Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor leerkrachten en andere professionals. Ook zij blijven elke dag leren en ontwikkelen. Blijf nieuwsgierig en kijk verder. Denk eens buiten de kaders. Ga een stapje verder.

Zoals Floor Reaijmaekers vertelt in haar lezing en artikelen: "Ga voor een growth mindset. ", dan pas kom je verder en zul je leren leren. Dan is er sprak van ontwikkeling en groei.


zondag 23 maart 2014

Onderwijsbehoefte en metingen

In de onderwijsontwikkelingen wordt veel gesproken over de organisatie, de samenwerkingswerkingsverbanden, passen onderwijs, handelingsgericht werken en alle mensen die hiermee te maken hebben. Laten we echter een ding niet uit het oog verliezen: Het kind zelf. En vooral: Wat heeft dit kind nodig?

Het begint al op de dag van de geboorte. Het kind is op de wereld. De mensen er omheen vragen zich af: Wat heeft dit kind nodig? Drinken, een schone luier, een bad of gewoon even lekker knuffelen bij papa of mama.
De behoefte van een kind wordt steeds groter en complexer. Van alleen melk drinken wordt de behoefte aan bepaald eten groter, maar ook qua ontwikkeling worden zijn uitdagingen groter. Daarnaast wordt ook zijn eigen autonomie verder ontwikkeld. Het breidt zich steeds verder uit.
Op de basisschool komt een kind als vierjarige binnen. Wat heeft zo'n kind nodig? Aandacht van de juf, veiligheid en vertrouwd raken met de omgeving, het gevoel hebben dat zijn vader en moeder hem weer op komen halen, het idee hebben dat het iets kan, maar ook uitgedaagd worden tot een kind dat zich verder ontwikkeld. Daarbij zijn ook de vriendjes belangrijk en moeten ze leren samenwerken, leren samen te spelen, leren ruzie te maken en weer op te lossen. Het kind komt met een heleboel facetten in aanraking en maakt zich klaar voor de grote wereld van straks waarin hij zelf zijn eten kan maken, zelf geld kan verdienen, zelf ontdekkingen doen en zelf keuzes maken. 
Dat kind wordt door zijn omgeving daarin begeleid.
Nu willen we natuurlijk het onderste uit de kan en het beste voor ieder kind. Logisch. Hoe zorgen we in Nederland ervoor dat ieder kind het beste krijgt? De grote vraag is: Hoe kunnen we dat meetbaar maken?
Verwoede pogingen tot kwaliteitsverbeteringen hebben geleid tot aanzienlijke resultaten enerzijds, maar tot krampachtige cijfermatige en beoordelende rapporten anderszijds. Er zijn bepaalde dingen te meten. De vooruitgang die leerlingen maken. Dat is mooi. Andere dingen zijn veel moeilijker te meten, zoals bijvoorbeeld het pedagogisch klimaat.
De Nederlandse overheid is bezig om bepaalde metingen te gebruiken als beoordeling voor de kwaliteit van de school die zijn boekje te buiten gaat.
De Cito Eindtoets van groep 8 is zoiets. De score van die eindtoets bepaald of een school een goede kwaliteit heeft. Ooit is de Citotoets bedoeld geweest om te bekijken wat leerlingen hebben geleerd en hoe we zaken wellicht anders kunnen doen. Nu wordt diezelfde toets als meetinstrument gebruikt om de kwaliteit van een school te meten. Wanneer gaat we in Nederland begrijpen dat we verkeerd bezig zijn?
Citotoetsen zijn bedoeld om inzicht te krijgen in welke leerdoelen behaald zijn en waar we kunnen bijstellen. De vaardigheidsscores van leerlingen staan hierbij centraal. Natuurlijk kan het de ene keer eens lager zijn en de andere keer wat hoger. Zaak is om er dan een analyse op los te laten hoe dit komt. Vervolgens te bekijken welke actie er moet volgen om ander en beter onderwijs te bieden. Dat onderwijs is belangrijk. De leerkracht doet ertoe. De intern beleider doet ertoe. De directeur doet ertoe. Met elkaar kijken naar het kind is een uitdaging die niet in cijfertjes is te omschrijven, laat staan te beoordelen. Samen zetten we het kind centraal en kijken wat dit kind nodig heeft in deze groep, bij deze klasgenootjes, bij deze leerkracht, op deze school en bij deze ouders. Daar moet op geacteerd worden.
Zoals een collega-directeur laatst zei: Je wilt geen enkel kind, om welke reden dan ook, moeten uitvinken bij de Cito van groep 8. Iedereen telt mee en ieder kind mag zich ontwikkelen zoals hij of zij is. Wij moeten als Nederland zorgen voor optimale omstandigheden op alle vlakken. Zodat naast rekenen en taal ook sociaal emotioneel een kind goed in hun vel zit en klaar is voor de grote wereld.




zondag 20 oktober 2013

Onderwijsbehoefte

In het kader van handelingsgericht werken(HGW), maar vooral de gedachte om vanuit het kind te denken, is het goed om na te denken over wat dit kind nodig heeft. Daar hangt een heleboel vanaf. Belangrijk hierbij is, dat het het kind centraal staat.

Onderwijsbehoefte van het kind betekent: Wat heeft dit kind nodig, in deze groep, bij deze leerkracht, bij deze medeleerlingen, bij deze ouders , in deze school, in deze omgeving(buurt/vriendjes/club)?

Wat heeft een kind nodig? Welke kindkenmerken heeft dit kind? Is het visueel of auditief sterker? Is het snel afgeleid of kan het juist goed concentreren? Heeft het hele hoge capiciteiten of juist wat lager? Is het snel of minder snel? Allemaal kenmerken waarmee de omgeving rekening kan houden en daardoor kan afstemmen op het leervermogen van het kind. Zo ontwikkelt het kind zich het beste.
De groep is van belang om te zien hoe een kind zich daarin beweegt. Voelt het zich prettig in deze groep? Heeft het misschien meer stimulans nodig om uit de tent te worden gelokt? Is het populair of juist niet? Wat zijn de kwaliteiten van het kind in de groep en wat belemmert hem?
De leerkracht doer ertoe. Dat weten we allemaal. Voor het kind is het belangrijk of de leerkracht hem begrijpt? Of de leerkracht zijn verhaal kent. Kent de leerkracht zijn kindkenmerken. Maar andersom is het voor dit kind noodzakelijk dat die leerkracht weet hoe hij bij dit kind moet reageren. Moet ik even een apart praatje met deze leerling maken? Of moet ik hem juist even op weg helpen met rekenen? Heeft dit kind een schouderklopje nodig? Of kan dit kind heel goed zelfstandig werken en is het goed dat de leerkracht hem niet vergeet bij zijn ronde door de klas. De leerkracht gaat hier bedenken wat dit kind nodig heeft en bekijkt zelf of hij dit kan bieden. We moeten natuurlijk wel realistisch blijven. 
Medeleerlingen en hun relaties zijn van belang bij het werken, het leren, het samen spelen en de gym. Welk kind zet je bij het andere kind? Wie zet je naast elkaar bij rekenen, welk groepje wordt gemaakt bij de gym. Rekening houdend met de stimulerende factoren van het kind.Kan een kind misschien een maatje gebruiken bij een ander vak? Allemaal zaken om goed over na te denken. Zo kun je het doel bereiken wat je met dit kind voor ogen hebt.
Ook ouders spelen een rol bij de onderwijsbehoefte. Zijn dit ouders die het goede voorbeeld geven wat betreft het )voor-)lezen? Kunnen deze ouders helpen bij een stukje huiswerk? En kunnen deze ouders het kind begeleiden bij het maken van een spreekbeurt? Ook deze facetten zijn van belang om te weten wat stimulerend is en wat niet? Zo weten we hoe we dit kind verder kunnen helpen.
De school kent een bepaalt systeem. Sommige scholen zetten in op structuur en rust, andere scholen benadrukken de eigen keuzes, ontdekkend leren of meer coöperatief. Wat past bij dit kind? Goed om als ouders al te bedenken waar jouw kind het beste past. Daarnaast moet er natuurlijk een klik zijn met de school en de leerkrachten. Ga vooral kijken voordat je een kind opgeeft bij een school.
De buurt kan medebepalend zijn voor de onderwijsbehoefte van het kind. Zijn er meer kinderen die naar een sportclub gaan en elkaar daar ook weer zien, dan kan dit bevorderend zijn. Anderzijds kan het ook voorkomen, dat als het in de buurt niet prettig is om te spellen, dat dit zijn weerslag heeft op school.

Kortom het gaat om waarnemen en begrijpen van alles rondom het kind. Van daaruit gaat men plannen en handelen om zo het leerdoel te bereiken. Alle factoren waar het kind mee in aanraking komt doen ertoe. De leerkracht is een grote stimulerende factor, die het kind nodig heeft om verder te komen.
Het kind blijft hierin centraal staan in al zijn stimulerende en belemmerende factoren. Als leerkracht begeleid je deze leerling naar onderwijsbehoefte. Dat is handelingsgericht werken.

zaterdag 19 oktober 2013

Onderwijs = leerling x (leerkracht + omgeving + leerstof)

Hoe belangrijk is het onderwijs voor het kind? Welke rol speelt een leerkracht? Hoe belangrijk is de omgeving? Het hangt nauw met elkaar samen.

Het kind staat centraal. Daar draait het om. Het kind ontwikkelt zich op school door middel van relaties met de leerkracht en medeleerlingen. Thuis ontwikkelt het zich in relatie tot zijn ouders, eventueel broertjes en zusjes en de omgeving, zoals de buurt, vriendjes en vriendinnetjes.
Die leerkracht doet er toe op school. Net als thuis ouders er toe doen. Ze zijn een belangrijk rolmodel voor het kind. Het biedt hen geborgenheid, liefde, het leert spelenderwijs omgaan met sociale vaardigheden, het leert omgaan met geluk, verdriet, teleurstellingen en mooie ervaringen. De leerkracht en de ouder kunnen kinderen ook stimuleren door gerichte uitleg, voorlezen, aanbieden van leerstof, afstemmen op het niveau van het kind en het helpen waar het nodig is. Thuis voelen ouders het haarfijn aan. Leerkrachten kijken naar de onderwijsbehoeften van kinderen. Wat heeft dit kind, in deze klas, op deze school, bij deze ouders en bij deze leerkracht nodig? Dat kunnen eenvoudige dingen zijn: vooraan zitten, een leerkracht die helpt bij het opstarten, een stappenplannetje, extra uitleg bij rekenen, een medeklasgenoot die helpt bij het voorlezen of gewoon af en toe een knikje van de juf dat hij/zij het goed doet en hem/haar ziet.
Het is daarom ook van belang om te praten met kinderen. Stel open vragen en luister wat dit kind te vertellen heeft. Waar is het mee bezig? Wat heeft het meegemaakt? Wat heeft het nodig op school? Wanneer kan het rustig slapen thuis? Een kind kan dit goed aangeven. De kunst om als volwassenen te luisteren en te kijken naar kinderen. Wat willen ze ons vertellen?
Daarnaast is belangrijk waar het kind mee in aanraking komt. Welke middelen heeft het tot zijn beschikking? Boeken lezen, bouwen met blokken of lego, vormen en kleuren ontdekken, muziek maken en buiten spelen. Het speelt allemaal mee. Soms in combinatie met een volwassenne, soms ook zelf ontdekkend. Door het juiste materiaal aan te dragen daag je het kind uit tot leren en ontdekken. Het ontwikkelt zich dan vanzelf.
In het onderwijs bestaat er een relatie tot leerling en leerkracht, leerling en omgeving en leerling en leerstof. Vandaar de formulie: Onderwijs = leerling x (leerkracht + omgeving + leerstof). Hierbij staat de leerkracht vooraan in de rij. De leerkracht doet ertoe. Verdiept zich in een leerling en leert het te begrijpen. De leerkracht gebruikt daarbij ook de omgeving en de leerstof. Door het stimuleren, doelgericht handelen, plannen en acties uit te voeren ontwikkelt het kind zich. De leerkracht is daarbij cruciaal.
Daarom is onderwijs zo belangrijk voor kinderen. Ieder kind heeft er recht op.

zondag 23 juni 2013

Bezuinigen

Al enkele jaren is er crisis. Bezuinigen, banken die omvallen en die we met z'n allen overeind moeten helpen, besparen, ander werk zoeken, omscholen, noem maar op. Bijna iedereen heeft er mee te maken. Ook in het onderwijs merken we dat we zuiniger aan moeten doen. Wat kunnen we hieraan doen? Wat zeggen economen? Wat zeggen wijzelf? Wat vindt u?

Om dicht bij huis te beginnen. Als er in het huishouden minder geld binnen komt, kun je minder uitgeven. Simpel en heel goed te overzien. Een hypotheek op een huis kan nog, maar geld lenen doe ik zelf niet graag. Als ik het niet heb, geef ik het niet uit. Nee, eerder andersom. Sparen voor iets bijzonders.
Dichtbij huis zorgen wij ook eerst voor de dingen die moeten, die horen bij ons levensonderhoud. Een woning, gas, water en licht, eten, kleding, meubilair, scholing. Natuurlijk horen daar tegenwoordig nog een aantal extra's bij. 
Voorzien in het levensonderhoud is een must. Zoeken naar werk is belangrijk. Het vinden van werk staat hoog in het vaandel, liefst naar een passend baan en een leuke job. 
Bezuinigen op huiselijk niveau is relatief eenvoudig(t.o.v. van de crisis in Europa), tenzij je echt heel weinig hebt, omdat je dan moet zoeken waarop je moet bezuinigen. Minder kleren kopen, we hebben immers genoeg. Kleren kopen bij tweedehands winkels. Je zoekt winkels met aanbiedingen. Creatief met koken. Boeken lenen bij de bieb. Tijdschriften lezen van een ander of in de bieb. Kamperen in Nederland. Huiskapper. Goedkope verzekering. Een tweedehands of geen auto. Er zijn een heleboel dingen mogelijk, al ben ik me er terdege van bewust dat er mensen zijn, die op de armoedegrens leven.
Op een ander niveau zien we bij werkgevers - bijvoorbeeld het onderwijs - zaken, waarop bezuinigd kan worden. Extreme etentjes, leaseauto's, eigen chauffeur, werkkleding, schoonmaak, meubilair, materialen, presentjes, etc. Bekijk eens wat echt nodig is. Waar kan op bezuinigd worden. Ik vind zelf dat dat binnen het onderwijs niet zo heel makkelijk is. Op leermiddelen kun je bijna niet bezuinigen, het budget is al niet zo heel groot. Wat er niet is, kun je toch wel een beetje uitgeven. Je staat dan als school iets in de min. Binnen een stichting kan dat worden opgevangen. Het gevaar ligt op de loer, dat een stichting iets krimpt en minder middelen binnen krijgt. Daar hebben wij als school dan ook weer mee te maken.
Het grootste gedeelte van het onderwijsbudget zit 'm in het personeel. Daarop bezuinigen zou de klassen alleen nog maar groter maken. Dat willen we ook niet. Dat zou immers ten koste gaan van de aandacht voor kinderen. Ook al beweren wetenschappers, dat het niet aan de resulaten ligt als de klassen groter zijn, het ligt wel degelijk aan het welbevinden van kinderen en leerkrachten, als er steeds meer zorgkinderen binnen de basisschool blijven (Passend Onderwijs). De leerkracht voor de steeds groter wordende groep moet immers aan de onderbehoefte van ieder kind kunnen voldoen. En ook al is dat misschien hetzelfde niveau, het vergt voor ieder kind een andere benadering. Dat kan zijn herhaling, visueel, met materiaal, met een maatje, via een computerprogramma o.i.d.
In het onderwijs kunnen we ook de geijkte schoolreisjes, Paasontbijt, sportdag e.d. afschaffen, maar dit betaalt de school niet. Dit betalen de ouders.
Op macroniveau zien we in Nederland allerhande bedrijven, onderwijs, verzorging, politie, sport, cultuur, de banken, de infrastructuur, nieuws en noem maar op. Hoe en waarop moet er dan worden bezuinigd?
Is het dan niet zaak om te bekijken wat echt nodig is voor ons levensonderhoud? Dan denk ik dat er best een heleboel dingen weg kunnen. Wat overblijft zijn de supermarkten, het onderwijs, de gezondheidszorg(+beweging), de politie/brandweer en de infrastructuur(de bouw in het algemeen). En natuurlijk zijn er nog mensen nodig, die dit allemaal regelen. En materialen die dit vergemakkelijken. Daarnaast moeten we zuinig zijn met het teveel geld pompen in dingen, die niet echt nodig zijn. Maar goed, daar begint de discussie, want wat is nu precies wel en niet nodig? Is een pretpark nodig? Is defensie nodig? Is cultuur nodig? Topsport? Mooi kleurtje op de muur? Een tweede of derde servies? Een auto?
Eigenlijk zijn we in Nederland - over het algemeen - behoorlijk verwend. Wij hebben best veel. Er zijn mensen, die het minder hebben, meer moeten bezuinigen, creatief moeten omgaan met de dingen die ze hebben en die moeite moeten doen om alle eindjes aan elkaar te knopen. Meestal hebben ze een woning, kleding en eten. Soms ook werk.
Terug naar de basis. Terug naar minder hebben hebben hebben. Terug naar hergebruik en duurzaamheid. Terug naar zuinigheid. Zuinigheid met vlijt, bouwt immers huizen als kastelen.

zondag 27 januari 2013

Beter onderwijs?

In Finland is het onderwijs beter dan in Nederland, zo kopte de krant deze week. Aziaten hebben een enorme vlucht genomen en een hoger niveau bereikt. Internationaal is Nederland gezakt. Is het onderwijs in Nederland slecht? Moeten wij het onderwijs verbeteren? Zijn er andere mogelijkheden of veranderingen denkbaar?

Het is een lastig en complex onderwerp om onderwijs van verschillende landen te vergelijken. 
Het begint al met de meetlat die je er langs legt. Welke meetlat wordt gehanteerd? Wat wordt er precies gemeten als landen met elkaar worden vergeleken. Is het de kennis? Het reken- en taalniveau? De creativiteit? De sociale vaardigheden? De zelfstandigheid? De zelfreflectie?
Dan heeft ieder land een andere bevolkingsopbouw. Hierbij speelt zowel de taal als de cultuur mee. Nederland heeft te kampen met veel immigranten, waarbij de taal niet goed wordt beheerst. Dit heeft gevolgen voor andere vakken, ook al hebben deze mensen en kinderen een goede intelligentie, het valt niet mee om het Nederlands goed te beheersen, als thuis altijd een andere taal wordt gesproken.
Een andere cultuur kan ook problemen geven op school. Als een vrouwelijke docent voor een klas met jongens staat en deze jongens vanuit hun cultuur niet hoeven te luisteren naar vrouwen is er wel degelijk een uitdaging. Ook andere situaties kunnen meespelen. Hoe wordt omgegaan met de aanwezigheid, het huiswerk, gedrag, ambitie, en zo zijn er meerdere dingen te noemen die anders zijn.
Naast taal en cultuur is elke situatie in landen anders. De werkgelegenheid, de bevolkingsopbouw en de groei en krimp van scholen, hoe ziet het land eruit, welke beroepen en werkzaamheden zijn gebruikelijk, en ga zo maar door.
Wat aangevoerd wordt om ons onderwijs te verbeteren is een beter opgeleide docent. Is een universitair geschoolde docent per definitie een betere leraar? Wat wordt dan verwacht van een universitair geschoolde docent? Meer kennis maakt niet altijd betere docenten, dus er moet meer zijn. Men zal ook iets moeten leren t.a.v. sociale contacten, het omgaan met verschillen, het flexibel kunnen zijn t.a.v. verschillende gedragingen en onderwijsbehoeften van kinderen. Misschien is het nodig om meerdere type docenten in huis te hebben, zowel een slimmerik, een handige creativeling, als een sociaal vaardige leerkracht. Ik denk dan met name aan de teamrollen van Belbin, die heeft uitgewerkt hoe verschillende mensen samen een team vormen en iedereen zijn eigen rol daarin heeft. Maar ook veranderingen realiseren vergt verschillende tactieken. Elke cultuurverandering is anders en vraagt om een andere veranderstrategie. Een handzaam denkraam van veranderstrategieën is ontwikkeld door Léon de Caluwé. Hij beschrijft het denken in kleuren met verschillende kwaliteiten. Leer jezelf kennen en zie hoe je bepaalde veranderen teweeg wilt brengen. Dat geldt zowel in een organisatie, een school, als in een klas.
Het gaat erom, dat er leerkrachten komen die de passie en energie hebben om dit vak uit te oefenen. Een intrinsieke motivatie om het allerbeste uit zichzelf en de leerlingen te halen. Soms gaat dat linksom en een andere keer gaat dat rechtsom. 
De kunst is om te leren naar jezelf te kijken en te reflecteren. Heb ik het goede gedaan om het resultaat te bereiken wat ik wilde bereiken? Heb ik het uiterste gehaald uit mezelf en uit het kind? Heb ik daarbij meegenomen, dat een kind zich veilig moet voelen en ook durft te vragen aan de leerkracht? Heb ik andere kwaliteiten en invalshoeken meegenomen die bij dit kind horen.
Kortom, zijn wij bezig met Passen Onderwijs: Wat heeft dit kind nodig in deze school, met deze ouders, in deze klas, bij deze leerkracht?
Samen oplossingen zoeken met deskundigen, school, ouders en leerling. Samen verantwoordelijk. Samen verder. 
De vergelijking met andere landen zegt mij dan niet zoveel. Het is een andere situatie, een ander land, andere mensen, andere systemen en dat geeft andere interventies en dus ander onderwijs. Is het onderwijs in Nederland slecht? Ik geloof het niet. Maar dat betekent niet dat we achterover moeten leunen. Kijk altijd hoe je verder kunt ontwikkelen. Beter worden in taal en rekenen is slechts een onderdeel. Het kind moet straks een zelfstandig mens kunnen zijn in de ingewikkelde maatschappij van nu. 



vrijdag 25 januari 2013

CITOtoets, voor wie?

Januari is de maand waarin de CITO's van alle jaargroepen worden afgenomen. Behalve groep 8. Zij mogen begin februari weer aan de slag. Wat levert het op en wat brengt het teweeg?

Er zullen kinderen zijn, die het spannend vinden om een toets te maken. Toch wennen kinderen daaraan. Zo ook de leerkrachten. En als leerkrachten eraan gewend zijn geraakt, zullen zij daardoor ook minder spanning overbrengen bij de leerlingen.
Maar wat levert het op? De resultaten van de leerlingen op dat moment, afgezet tegen het landelijk gemiddelde. Een mooi streven om zo de eigen school in kaart te brengen. Waar moeten we als school op letten? Waar kan de instructie worden verbeterd? Waarom is dit kind blijven steken op een bepaald niveau? Welk vak verdient de komende periode meer aandacht? 
Zo kun je zorgen dat de lessen verbeterd worden. Na analyse van het probleem, kun je werken aan bepaalde doelen en het kind verder helpen. Welke onderwijsbehoefte hoort bij dit kind?
Toch geeft deze informatie en de controle door de inspectie ook een wrange bijsmaak. Ben jij een zwakke school als je onder de norm zit? Waarom wordt de spelling niet meegenomen bij de controle? Wat als je kleine groepen hebt en bijvoorbeeld een combinatieklas hebt van 20+8 leerlingen? Hoe wordt gekeken naar een school waarbij een leerkracht langdurg ziek is en men afhankelijk is van invallers? Wat wordt gedaan met het uiterst belangrijke pedagogische klimaat? 
Dan heb ik het nog niet gehad over de manier van afnemen van een toets. Het is een heel verschil of je de stopwatch intikt NADAT het kind begonnen is, of dat je eerst indrukt en dan het kind laat beginnen met het lezen van de woordjes van de DMT (drieminutentoets). Het kan zomaar 2 of 3 woorden en daardoor ook een niveau schelen. Reken je dezelfde fouten dubbel of enkel? Als het kind het antwoord 31 heeft gegeven en het had 13 moeten zijn, is het dan goed (omdat dit kind dyslectisch is) of rekent men het fout?
Een school die pas in september is gestart (door een late zomervakantie) mist 3 weken les t.o.v. een andere school met een vroege vakantiue. Dit is zeker in groep 3 een groot nadeel. Hebben ze de "f " net wel of net niet al geleerd. Voor een twijfelgeval kan dit slecht uitpakken.
Ooit heb ik op een school gewerkt waar een leerkracht fraudeerde met de CITOresultaten. Gewoon om er maar goed uit te komen en geen handelingsplannen hoeven te maken. Ik heb het dus maar 1x keer gezien. Zou dit niet vaker gebeuren?
Als jouw school onder de norm dreigt te komen, hoe eerlijk blijft men dan?
En mochten er meerdere fraudeurs aanwezig zijn, dan stijgt het gemiddelde en liggen anderen eronder. Hoe zuiver is het?
Ik ben niet tegen de CITO. Ik denk dat het een mooi instrument kan zijn, om te zien waar een school staat. Wat ik wel lastig vind, is dat een school afgerekend kan worden op zijn resultaten, terwijl er zovele oorzaken kunnen zijn, waarom een groep laag gescoord heeft. Wanneer je dan als zwakke school bestempeld wordt, zal er gekeken moeten worden wat er wordt gedaan op school. Wat belangrijk is, is hoe er instructie wordt gegeven, hoe aangesloten wordt op ieder kind, welke interventies worden gegeven, hoeveel onderwijstijd er aangegeven staat en daadwerkelijk wordt besteed aan een bepaald vak. Wat is de kwaliteit van de leerkracht? Hoe komt het dat deze leerlingen laag gescoord hebben? Wat kan daarvan de oorzaak zijn en hoe kunnen we het resultaat opkrikken.
Want naast de resultaten zijn ook andere zaken belangrijk. Deze worden vaak niet gemeten. Het gaat ook om het welbevinden van de kinderen en hoe de school omgaat met de onderwijsbehoefte van de leerlingen. Zo is het ook belangrijk om de kwaliteiten van iedere leerkracht in kaart te brengen. Kunnen we de inspectie niet overtuigen van het complete beeld van een school met alle mooie aspecten? Genieten van de tops en leren van tips.
Leren van elkaar, zowel kinderen als leerkrachten. Daarmee kun je elkaar versterken, en dat komt weer ten goede aan de school en de kinderen. 
Middelbare scholen vragen nog weleens om de CITO eindtoets, alvorens leerlingen aan te nemen. Mijn advies: luister naar de basisschool, kijk naar het OKR(onderwijskundig rapport), de school heeft een veel beter beeld van het kind, hoe het al die jaren heeft gewerkt en gescoord. Daarmee komt een kind beter tot zijn recht. Het draait immers niet om een getal of een letter, maar het draait om het kind. Die staat centraal!

zaterdag 20 oktober 2012

Met hoofd, hart en handen

Het onderwijs vraagt om meer, dan alleen leerstof en kennis. Het vraagt om een bepaalde attitude van de leerkracht, die met hart en ziel les geeft en kinderen stimuleert en begeleidt.

Onderwijs is kennisoverdracht. Zo was het vroeger en zo is het nu. Maar onderwijs bestaat niet alleen uit kennisoverdracht, al lijkt dit misschien de grootste taak. Het is veel meer dan dat.
Naast de kennis vraagt het onderwijs ook om afstemming. Een leerkracht zal zich moeten verdiepen in die leerling. De kennis zal bij het ene kind op de ene manier gaan en bij een ander kind weer op een geheel andere manier. De een zal sneller leren, anderen zullen via beeldmateriaal makkelijker leren en  sommigen hebben veel herhaling nodig. Ieder kind heeft zijn eigen onderwijsbehoefte, zijn eigen manier om zich dingen eigen te maken en zich verder te ontwikkelen. In het kader van handelings gericht werken een term die heel vanzelfsprekend is geworden.
Het vraagt van de leerkracht een flexibele houding, een bepaalde attitude, die leerkrachten zichzelf eigen kunnen maken. Een leerkracht leert ook dagelijks van zijn handelen. Samen met andere leerkrachten, de intern begeleider en de directeur kan het zijn lesgeven en zijn handelen onder de loep nemen en steeds weer verbeteren. Het is goed als een leerkracht kan reflecteren op zijn eigen gedrag. Welk effect heeft mijn manier van lesgeven op dit kind?
Onderwijs is ook de maatschappij in het klein. Een mini-samenleving waarin geleerd en gedeeld wordt, waarin gepresenteerd en gelachen wordt, waarin sociale competenties een belangrijke rol spelen. Kinderen moeten leren omgaan met de ander. Samen leren, samen communiceren, samen spelen en samen ontdekken. Maar ook samen oplossen, elkaar helpen, ruzies oplossen of samen verdriet hebben.
Onderwijs geef je met hoofd, hart en handen. Het hoofd gebruik je voor de kennis en dingen (aan) te leren. Het hart gebruik je voor de liefde van de medemens en de sociale vaardigheden. De handen gebruik je om te oefenen en om de geleerde dingen te doen, maar ook te laten zien hoe je vrolijk of verdrietig bent. Samen vrolijk zijn of elkaar troosten in het verdriet.
Onderwijs kun je daarom niet vangen in alleen CITOscores. Onderwijs is veel breder. Enerzijds de afstemming, anderzijds een prettig pedagogisch klimaat.
Onderwijs maak je samen, met hoofd, hart en handen.

vrijdag 14 oktober 2011

Herfstvakantie: windstil?

Aan het weer kunnen we het niet merken, het lijkt wel zomer. Terwijl de zomer meer leek op de herfst. Toch hebben beiden een overeenkomst: We hebben een aantal dagen vrij om tot rust te komen.




Hoeveel mensen benijden docenten en onderwijzers met hun wekenlange vakanties? Hoeveel mensen weten wat het werkelijk is om in het onderwijs te werken?

Onderwijsmensen zijn veelal gepassioneerde medewerkers. Mensen die liefde hebben voor het vak. Het zijn duizendpoten, die in werkweken veelal veel meer uren draaien en in vakantietijd hun overuren opnemen.

Dat ga ik dus doen, overuren opnemen, maar dan even weg in eigen land, anders sluipen de werkuren er weer in.


Wat is nu het lastigste aan het leiden van een school?

De organisatie, de onderwijskundige rol of de personele kant?

Organisatorisch heb ik alles op de rit, het loopt goed, iedereen weet waar hij aan toe is, het is helder, dat ervaar ik tenminste zo.

De onderwijskundige zaken staan op een rijtje, er wordt gewerkt aan een aantal items, waaronder de aanpak van het technisch lezen, maar dingen als zelfstandig werken moeten goed op een doorgaan de lijn zijn, wil het allemaal goed werken.

Nee, dan de kant van de mensen: het personeel. Elke persoon heeft zijn eigen verhaal, zijn eigen kwaliteiten, zijn eigen zwakheden en zijn eigen professionaliteit. Het is de kunst om daar een geheel van te maken, waar iedereen zich goed bij voelt, waarbij iedereen zijn kwaliteiten kan benutten maar waarbij ook iedereen weet wat zijn verantwoordelijkheden zijn. Het is een kunst om van dit team een rijk bruisend samenwerkend team te maken.

Soms is het zomer, er is rust, de zaken gaan goed, iedereen is hard aan het werk en er is oog voor de ander. Organisatorisch loopt alles, onderwijskundig draait het goed en men heeft tijd en aandacht voor elkaar. Soms is het herfst, de wind waait hard, de druk neemt toe, er moet veel gebeuren en werktijden lopen op. Dan is het zaak om een windvanger te realiseren, een paraplu ter beschikking te stellen, maar ze wel zelf de regie in handen te laten houden.

En ja, dan is het weleens herfst in zomertijd en zomer in herfsttijd. Soms is er storm op komst, je merkt het vaak al aan de kinderen. Je kunt er nooit van op aan.

Wel kunnen we ons bewust zijn van het seizoen en meedeinen met de wind. Benoem wat je ziet en handel naar wat nodig is. Ook leerkrachten hebben een onderwijzende behoefte.

Fijne herfstvakantie!