Vanaf december 2019, als de eerste berichten vanuit Wuhan onze ether indenderen om te melden dat zich er een griepepidemie lijkt te ontwikkelen, is er enige onrust. Mijn eigen broer was na het WK Bridgen, in Wuhan afgelopen zomer, de dans net ontsprongen.
Als de tijd langzaam verstrijkt breidt het uit naar andere landen en volgt na de piek in Wuhan, ook Iran, Zuid Korea en Italië.
Mijn zus die toen in Noord-Italië (naast de brandhaard) op vakantie is geweest neemt het zekere voor het onzekere en slaat het bezoekje bij onze hoogbejaarde ouders over. Twee van haar volwassenen kinderen hebben griepverschijnselen, maar worden niet meer getest.
Intussen kruipt het virus ook Nederland binnen en is Noord-Brabant de plek met de meeste besmettingen. Het wordt een serieuze zaak en de maatregelen van hygiëne worden nog niet door iedereen serieus genomen. Op school wordt dit wel gehanteerd. Geen handen geven, regelmatig handen wassen, papieren zakdoekjes en elkaar attenderen op deze maatregelen.
De landen om ons heen meldden steeds meer besmettingen en ook het aantal slachtoffers groeit. Het gaat enge vormen aannemen. Een pandemie.
De maatregelen worden strenger, afstand houden, niet met meer dan 100 mensen bij elkaar, maar scholen moeten open blijven. Daar vind ik iets van.
De volgende dag is 1/3 van de kinderen thuis en/of ziek gemeld. Een bijeenkomst met het directieteam levert vragen maar ook saamhorigheid op. Dealen met bange collega’s, angstige ouders en een half lege school. Een bizarre onrust, wikken en wegen van mogelijkheden en ouders informeren.
Leerlingen moeten bij de deur worden afgegeven. Een aantal snotterende collega’s blijft thuis, een collega met een zieke partner blijft ook thuis. Halve of driekwart volle groepen. Geen les meer te geven, maar wat moet je? We doen geen melding. Het is zo te begrijpen.
Dan komt het sein dat Nederland rond de 1000 besmettingen en zo’n 20 doden toch besluit de schooldeuren te sluiten. Ook de horeca sluit en evenementen worden afgelast. Alleen ouders met vitale beroepen mogen hun kinderen op school en/of bij de opvang brengen.
Op zondagmiddag zitten de directeuren en adjuncten opnieuw bij elkaar. Een brief van bestuur, organiseren onderwijs, actieteams, informeren team en ouders. Vele vragen beantwoorden en tenslotte één duidelijke app naar alle collega’s wordt niet echt gewaardeerd. Terecht. Met een bericht dat iets te kort door de bocht vloog, had ik een paar collega’s veilig op de kast. Goede afstand, dat dan weer wel. Een begripvolle app maakt weer een hoop goed.
De volgende dag startten we ver van elkaar zittend in de teamkamer. Enkele collega’s zijn ziek. Vier kinderen zijn aangemeld om te komen. Twee kunnen weer naar huis. Een enerverende dag van afstemmen, taken verdelen en onderzoeken naar hoe we digitaal onderwijs kunnen bieden volgt. Als er dan eerst besproken wordt hoe we in shifts kunnen werken en worden teruggefloten, valt dit in verkeerde aarde. Het wrijft en schuurt. Spanning loopt op, er heerst emotie, begrijpen van elkaar lijkt moeilijk, empathie daalt soms tot het nulpunt, maar herstelt zich in dezelfde snelheid in een positieve flow. Je slikt nog een mail van een ouder en geniet van de fijne reacties. Iedereen is anders. Iedereen reageert anders. Elke collega heeft een eigen beleving en een eigen privé-situatie. Het wordt tijd om adem te halen. Tijd om te realiseren, dat we hiermee moeten leren omgaan. Iedereen doet zijn stinkende best.
Dit team kent zijn verantwoordelijkheden en is te vertrouwen. Het steunt elkaar. En dat is prachtig om te aanschouwen.
(eerder geplaatst in Direct van 4 april 2020)